ECLI:NL:GHARL:2025:7078

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.353.291
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake kinderalimentatie en WSNP

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de kinderalimentatie en de toelating van de man tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De man en de vrouw, die op 29 april 2013 in de gemeente [woonplaats2] zijn getrouwd, zijn ouders van twee minderjarige kinderen. De rechtbank Gelderland had eerder de echtscheiding uitgesproken en de kinderalimentatie vastgesteld op € 168 per kind per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding op 27 maart 2025. De man heeft in hoger beroep grieven ingediend met betrekking tot zijn draagkracht en verzocht de alimentatie op nihil te stellen, terwijl de vrouw verweer voerde en de alimentatie handhaafde.

Het hof heeft vastgesteld dat de man, ondanks zijn verzoek om toelating tot de WSNP, voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde kinderalimentatie te betalen. Het hof heeft de draagkracht van de man berekend en geconcludeerd dat hij in staat is om de alimentatie te voldoen, rekening houdend met zijn inkomen en woonlasten. De vrouw heeft betwist dat de man in een WSNP-traject zit, maar het hof heeft geoordeeld dat de man voldoende ruimte heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen. Uiteindelijk heeft het hof de beschikking van de rechtbank Gelderland bekrachtigd, waarbij de kinderalimentatie is gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.291
(zaaknummer rechtbank Gelderland 437892)
beschikking van 11 november 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W. Kok,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.X.C. Peters.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 februari 2025, uitgesproken onder zaaknummer 437892 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 april 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht namens de vrouw van 4 september 2025 met een brief met producties;
- een journaalbericht namens de man van 5 september 2025 met een brief met een productie;
- een journaalbericht namens de man van 16 september 2025 met brief en een productie en
- een journaalbericht namens de vrouw van 17 september 2025 met een brief en een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 18 september 2025 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door mr. Kok en
- de vrouw, bijgestaan door mr. Peters.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn op 29 april 2013 in de gemeente [woonplaats2] met elkaar
getrouwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 27 maart 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hiermee is het huwelijk tussen de man en de vrouw ontbonden.
3.2
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Moldavische
nationaliteit.
3.3
De man en de vrouw zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren op [geboortedatum1] 2013; en
  • [de minderjarige2] , geboren op [geboortedatum2] 2016.
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, naast de beslissing over de echtscheiding, onder meer de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald, een co-ouderschapsregeling vastgesteld en de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van de kinderen (kinderalimentatie) bepaald. Over deze laatste beslissing gaat dit hoger beroep.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank over de kinderalimentatie het volgende bepaald:
“(…)
4.4.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 168 per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
4.5.
beslist dat de man deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
(…)”
4.2
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de door de man te betalen kinderalimentatie te vernietigen en opnieuw rechtdoende de door de man te betalen kinderalimentatie per datum beschikking in eerste aanleg of per datum, welke het hof juist acht, op nihil te stellen.
4.3
De vrouw voert verweer. Zij vraagt het hof:
  • primairhet verzoek van de man af te wijzen, althans de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en de bestreden beschikking te bekrachtigen;
  • subsidiairvoor zover het hof de bestreden beschikking vernietigt, de kinderalimentatie vast te stellen op € 168,- per kind per maand, met dien verstande dat deze bijdrage wordt geschorst gedurende de periode van het minnelijk schuldsaneringstraject of wettelijk schuldsaneringstraject.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Omdat de vrouw de Moldavische nationaliteit heeft, moet het hof eerst
vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is (rechtsmacht). Omdat de man (als verweerder bij de rechtbank) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, heeft het hof rechtsmacht. [1]
5.2
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Dit is tussen de ouders niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
De kosten van de kinderen
5.3
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de kosten van de kinderen (de behoefte) berekend op € 503,- per kind per maand in 2023. De rechtbank heeft de kosten van de kinderen na indexatie berekend op € 534,- per kind per maand in 2024 en op € 561,- in 2025. Dit is tussen de ouders niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
Ingangsdatum
5.4
De rechtbank heeft bepaald dat de kinderalimentatie betaald moet worden met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Dat is 27 maart 2025. De man heeft het hof verzocht om de ingangsdatum te bepalen op 26 februari 2025 (de datum van de bestreden beschikking), maar de man heeft geen grief geformuleerd tegen de door de rechtbank vastgestelde datum en zijn verzoek ook niet toegelicht, zodat het hof – net als de rechtbank – zal uitgaan van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, dus 27 maart 2025.
Zorgkorting
5.5
De rechtbank heeft de zorgkorting vastgesteld op 35 %. Hierover zijn partijen het eens, zodat het hof hiervan uit zal gaan. De zorgkorting kan niet volledig worden verzilverd, omdat er een tekort aan draagkracht is.
Draagkracht
5.6
Vervolgens moet worden berekend wat de man en de vrouw kunnen bijdragen in de kosten van de kinderen. Dat wordt ‘de draagkracht’ genoemd.
5.7
De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw berekend op € 110,- per maand. Hierover zijn partijen het eens, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
5.8
De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend op € 335,- per maand. De man is het niet eens met deze berekening, omdat hij helemaal geen draagkracht (meer) stelt te hebben. In zijn beroepschrift voert de man aan dat hij schulden heeft van ruim € 10.000,-. De man stelt dat hij is toegelaten tot een minnelijk schuldtraject (MSNP) bij de gemeente.
5.9
De vrouw betwist dat sprake is van een MSNP. De vrouw heeft (als één van de schuldeisers) tot nog toe geen aanbod van de gemeente ontvangen om tot een minnelijke regeling te komen voor de achterstallige kinderalimentatie, aldus de vrouw.
5.1
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken die de man kort voor de mondelinge behandeling heeft ingediend, volgt dat de man op 12 september 2025 een verzoek heeft ingediend bij de rechtbank voor toelating tot de wettelijke schuldsanering (WSNP). De situatie is dus anders dan op het moment dat de man het beroepschrift indiende. De rechtbank moet het verzoek van de man om te worden toegelaten tot de WSNP nog beoordelen. Wat de uitkomst van het verzoek zal zijn, is dus nog niet bekend. Los daarvan is het hof van oordeel dat de man ruimte heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 168,- per kind per maand te betalen. Dit volgt uit de draagkrachtberekening die aan deze beschikking wordt gehecht. Als rekening wordt gehouden met een kinderalimentatie van € 168,- per kind per maand heeft de man voldoende ruimte om maandelijks af te lossen of te (laten) reserveren voor aflossing van de schuldeisers. Het hof weegt in zijn oordeel mee dat de betaling van een bijdrage in de kosten van de kinderen een hoge prioriteit heeft, dat met de totale bijdrage van de ouders zij samen in minder dan de helft van de kosten van de kinderen kunnen voorzien en dat er voldoende ruimte is in verhouding tot de relatief beperkte omvang van de schulden van de man, om maandelijks af te lossen. Dit volgt ook uit de inhoud van het WSNP-verzoek van de man.
5.11
Volgens de meest recente loonstroken (juni – augustus 2025) die de man heeft overgelegd, heeft de man in die periode een gemiddeld inkomen gehad van € 3.200,- bruto per maand te vermeerderen met 8 % vakantiegeld. Daarop is de pensioenpremie en premie WIA gat ingehouden. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting had de man een netto besteedbaar inkomen van € 3.056,- per maand. Zoals hiervoor is overwogen, hebben de ouders gezamenlijk een aanzienlijk tekort aan draagkracht om in de kosten van de kinderen te voorzien. Daarom houdt het hof rekening met de werkelijke woonlast van de man. De vrouw heeft gesteld dat de man huurlasten heeft van € 742,- per maand. Dit is niet door de man betwist, zodat het hof hiervan uit zal gaan. Uit de berekening die aan deze beschikking is gehecht, volgt dat de man voldoende draagkrachtruimte heeft om zowel de kinderalimentatie te voldoen als met een redelijke maandbedrag zijn schulden af te lossen. Daarbij weegt het hof ook mee dat de man nu nog een lager inkomen ontvangt omdat hij (deels) ziek is, maar dat de man – zoals zijn advocaat op de mondelinge behandeling heeft verteld – verwacht op korte termijn weer volledig hersteld te zijn.

6.Aanhechten draagkrachtberekening

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, K. Mans en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 11 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 3 onder a Alimentatieverordening (Nr. 4/2009)