ECLI:NL:GHARL:2025:7064

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.358.607
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:260 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen bevestigd door gerechtshof

De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen verlengd tot 12 juli 2026. De ouders zijn in geschil over het gezag en de omgangsregeling, waarbij de vader in hoger beroep gaat tegen de verlenging.

Het hof heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen, met name bij [minderjarige 1] die lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en weerstand toont tegen contact met de vader. [Minderjarige 2] onderhoudt wekelijks contact met de vader en ervaart dit als positief. De ondertoezichtstelling is verlengd omdat de ouders niet voldoende meewerken aan vrijwillige hulpverlening en het belang van de kinderen dit vereist.

Het hof benadrukt het belang van contact tussen kinderen en ouders en verwacht dat de gecertificeerde instelling een rol speelt bij het herstel van het contact, vooral voor [minderjarige 1]. Ook wordt de begeleiding van het contact tussen [minderjarige 2] en de vader besproken, waarbij de mogelijkheid van zelfstandig contact in de toekomst wordt onderzocht.

De lopende procedure over het gezag en de omgang zal meer duidelijkheid geven over de verdere invulling van de hulpverlening en contactregeling. De kosten van het geding worden door iedere partij zelf gedragen, en de uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen tot 12 juli 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.607
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594534
beschikking van 11 december 2025
over de ondertoezichtstelling van
[minderjarige 1]( [minderjarige 1] ) en
[minderjarige 2]( [minderjarige 2] )
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats 1]
advocaat: mr. W.Y. Hofstra
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Groningen
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in [woonplaats 1]
advocaat: mr. M.M. van Maanen

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 12 juli 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2017.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] . De moeder heeft het gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
De kinderen wonen bij de moeder.
2.4.
De kinderen staan sinds 12 oktober 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 12 juli 2025.
2.5.
Tussen de ouders loopt een procedure bij de rechtbank over het verzoek van de vader om samen met de moeder het gezag over [minderjarige 2] te verkrijgen, over het verzoek van de moeder om alleen het gezag over [minderjarige 1] te krijgen en over de omgangs-/zorgregeling van de vader met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 12 juli 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 3 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De moeder wil ook dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de GI
4.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 3 november 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de verlenging van de ondertoezichtstelling.
4.6.
De zitting bij het hof was op 4 november 2025. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder
  • een vertegenwoordiger van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.2.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van de kinderen terecht verlengd. Zoals de kinderrechter heeft overwogen zijn er de nodige zorgen over de kinderen. [minderjarige 1] heeft een posttraumatische stressstoornis (ptss) en hij heeft een grote weerstand tegen het contact met de vader. [minderjarige 1] heeft al drie jaar geen contact met de vader. Daarbij zit hij bij zijn moeder in de klas en dit lijkt niet goed voor [minderjarige 1] ’s ontwikkeling te zijn. [minderjarige 1] kreeg eerst psychomotorische therapie (pmt) en dat is recent afgerond. Hij is net gestart met beeldende therapie en daarin zal eventueel diagnostiek worden verricht.
[minderjarige 2] heeft wekelijks contact met de vader en dat vindt ze leuk. Zij heeft geen hulpverlening.
5.4.
De rechter dient zo veel als mogelijk te bewerkstelligen dat er contact is tussen een kind en een ouder. In dat kader is het belangrijk dat de weerstand van [minderjarige 1] tegen het contact met de vader nog verder in kaart wordt gebracht. Het hof verwacht dat de ouders dit samen niet zal lukken en dat de GI hierin een rol moet hebben. Positief is dat de vader inmiddels inziet dat het voor [minderjarige 1] belangrijk is dat [minderjarige 1] ’s tempo wordt gevolgd in het mogelijk herstel van het contact.
Verder fungeert de GI nog als buffer in de communicatie tussen de ouders, waardoor er meer rust is. De enige communicatie tussen de ouders is een wekelijkse mail van de moeder aan de vader over hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat. Op de mondelinge behandeling heeft het hof van de GI begrepen dat de vader op een negatieve manier daarop reageert richting de jeugdbeschermer en derden. Het hof is het met de GI eens dat dat niet in het belang van de kinderen is.
Voor [minderjarige 2] is het belangrijk dat het contact dat zij momenteel heeft met de vader wordt voortgezet en eventueel wordt uitgebreid. De bedoeling is dat [minderjarige 2] iedere week op woensdagmiddag contact heeft met de vader, maar op de mondelinge behandeling in hoger beroep bleek dat dit niet iedere week lukt omdat er niet altijd iemand beschikbaar is voor de begeleiding. De jeugdbeschermer brengt [minderjarige 2] naar de vader en blijft de eerste vijftien minuten bij het contact aanwezig. Hij komt vijftien minuten voor het einde van het contactmoment weer terug om het laatste stukje daarvan te begeleiden en [minderjarige 2] weer naar huis te brengen. De moeder vindt dat de achtjarige [minderjarige 2] die begeleiding nog nodig heeft vanwege de spanningen tussen de ouders en omdat [minderjarige 2] een behoorlijke reactie heeft op het contact met de vader. De vader vindt de begeleiding niet nodig. Wat betreft de praktische uitvoering van het contactmoment zijn beide ouders het er wel over eens dat [minderjarige 2] , alhoewel ze pas acht jaar oud is, zelfstandig – zonder begeleiding – de route van huis naar de vader zou kunnen lopen. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met het hof ook gezegd dat ze best alleen naar de vader (en weer terug naar de moeder) zou kunnen lopen.
5.5.
Op grond van de huidige situatie kan het hof zich voorstellen dat de resterende termijn van de ondertoezichtstelling wordt benut om te proberen te komen tot een afronding van de ondertoezichtstelling en een overdracht van de hulpverlening – van [minderjarige 1] – naar het vrijwillige kader. Het hof begrijpt dat op 20 november 2025 de mondelinge behandeling staat gepland in de lopende procedure bij de rechtbank over het gezag over de kinderen en het contact met de vader. Na de beslissing hierover hebben de ouders meer duidelijkheid over hoe zij verder moeten. De GI kan met de ouders het nodige regelen ter uitvoering van die beslissing en dit nog monitoren. Ook kan de GI de tussenliggende periode gebruiken om de ouders en [minderjarige 2] te begeleiden naar een contactmoment waarbij [minderjarige 2] zelfstandig naar de vader gaat, zonder begeleiding het contact met hem aangaat en weer terug naar huis gaat.
Verder kunnen er afspraken worden gemaakt tussen de ouders over het – in de toekomst – faciliteren van het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] . Daarbij is ook van belang dat aandacht wordt besteed aan de wijze waarop de vader op de communicatie van de moeder reageert, om te voorkomen dat die communicatie een negatieve impact heeft op de moeder en de kinderen.
5.6.
Met de kinderen is tijdens de gesprekken besproken dat zij de uitkomst van deze procedure van de moeder zullen horen.
Proceskosten
5.7.
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om een ondertoezichtstelling.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 juli 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, M.H.F. van Vugt en H. Phaff, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:260 lid 1 BW Pro