ECLI:NL:GHARL:2025:7062

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.353.818/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en vervangende toestemming voor deelname van kind aan Rijksvaccinatieprogramma

In deze zaak gaat het om een verzoek tot voorlopige zorgregeling en vervangende toestemming voor deelname van een minderjarige aan het Rijksvaccinatieprogramma. De ouders van de minderjarige, die in 2023 is geboren, zijn gezamenlijk belast met het gezag. De moeder is met de minderjarige naar Turkije vertrokken, waar zij sinds 2024 verblijven. De rechtbank Gelderland heeft in een eerdere beschikking van 24 januari 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld en de vader vervangende toestemming verleend voor deelname van de minderjarige aan het Rijksvaccinatieprogramma tot 24 maanden. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking, met als doel de toestemming van de vader te ontzeggen en een andere zorgregeling te verzoeken. Het hof heeft de mondelinge behandeling op 21 oktober 2025 gehouden, waarbij beide ouders en hun advocaten aanwezig waren. Het hof heeft de verzoeken van de moeder en de vader beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de vader vervangende toestemming krijgt voor deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. Tevens is er een voorlopige regeling vastgesteld voor de zorg- en opvoedingstaken, waarbij de minderjarige om de veertien dagen een weekend bij de vader verblijft. De beschikking is op 11 november 2025 uitgesproken en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.818/01
(zaaknummer rechtbank Gelderland 440926)
beschikking van 11 november 2025
inzake
[verzoekster]
die verblijft in [woonplaats1] , Turkije
hierna: de moeder
advocaat: mr. E. Gürcan
en
[verweerder]
die woont in [woonplaats2]
hierna: de vader
advocaat: mr. R.A.H. Vullings

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, ingekomen op 24 april 2025
  • het verweerschrift tevens incidenteel beroep tevens incidenteel hoger beroep met bijlagen
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlagen
  • een journaalbericht van mr. Gürcan van 11 oktober 2025 met bijlagen
  • een journaalbericht van mr. Vullings van 16 oktober 2025 met bijlagen
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 oktober 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- mr. Gürcan namens de moeder;
- de vader, bijgestaan door mr. Vullings;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023 in [geboorteplaats] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
[in] 2024 is de moeder met [de minderjarige] naar Turkije vertrokken, waar zij sindsdien verblijven.
3.3
De rechtbank Gelderland heeft in de beschikking van 24 januari 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld en – in de bodemprocedure – de vader vervangende toestemming verleend voor deelname van [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma, voor zover het betreft
de vaccinaties die aangeboden worden tot 24 maanden en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft de overige beslissingen (over het hoofdverblijf, de zorgregeling, de vervangende toestemming voor verhuizing en (de wijziging van) het gezag aangehouden (in afwachting van een onderzoek en rapport van de raad).
3.4
In een beschikking van dit gerechtshof van 2 oktober 2025 is het hoger beroep van de moeder met betrekking tot de voorlopige voorzieningen die zij heeft verzocht ten aanzien van de toevertrouwing van [de minderjarige] en het verkrijgen van vervangende toestemming om voor de duur van de bodemprocedure bij de rechtbank met [de minderjarige] in Turkije te verblijven, afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief is gericht tegen de verleende vervangende toestemming voor deelname van [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma en de tweede tegen de vastgestelde voorlopige zorgregeling. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen, de verzoeken van de vader (alsnog) af te wijzen, te bepalen dat de man – totdat nader onderzoek heeft plaatsgevonden – uitsluitend onder begeleiding (in Turkije) contact heeft met [de minderjarige] en de vader de vervangende toestemming voor de deelname van [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma te ontzeggen, voor zover het betreft de vaccinaties die aangeboden worden tot 24 maanden, of te bepalen dat [de minderjarige] vanaf 24 maanden zal deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.
4.2
De vader is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Die grief ziet op de vervangende toestemming voor deelname van [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma. De vader verzoekt het hof – na wijziging en aanvulling van zijn verzoek – de bestreden beschikking te vernietigen of aan te vullen voor zover het de beslissing ten aanzien van vervangende toestemming voor vaccineren betreft en hem vervangende toestemming te verlenen voor deelname door [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma dan wel een door het consultatiebureau opgesteld gepersonaliseerd programma voor vaccineren van [de minderjarige] voor zolang dat nodig is.
4.3
De moeder voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Omdat de vader en [de minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben en de moeder de Turkse nationaliteit heeft, draagt de zaak een internationaal karakter. Op grond van artikel 7 van Brussel II-ter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat [de minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank haar gewone verblijfplaats in Nederland had.
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
5.2
Ter beoordeling liggen voor de verzoeken van partijen met betrekking tot het verlenen van vervangende toestemming voor deelname van [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma en de voorlopige zorgregeling. Het hof begrijpt – met verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.4 – dat voorligt de voorlopige regeling zoals de rechtbank die heeft vastgesteld in het kader van de bodemprocedure, in afwachting van het onderzoek en rapport van de raad.
5.3
Wat betreft de vervangende toestemming voor het vaccineren neemt het hof de overwegingen 6.12 tot en met 6.14 van de bestreden beschikking over en maakt die na onderzoek tot de zijne. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er geen gegronde redenen zijn om af te wijken van het Rijksvaccinatieprogramma. Omdat [de minderjarige] op [datum] jl. 2 jaar oud is geworden en daarmee de aanvankelijk door de vader verzochte termijn voor deelname aan het programma totdat [de minderjarige] 24 maanden oud is inmiddels is verstreken, zal het hof – overeenkomstig het aanvullende verzoek van de vader – de vader vervangende toestemming verlenen voor deelname door [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma dan wel een door het consultatiebureau opgesteld gepersonaliseerd programma voor vaccineren van [de minderjarige] voor zolang dat nodig is.
5.4
Ten aanzien van het verzoek van de moeder om als voorlopige zorgregeling te bepalen dat de vader, totdat nader onderzoek heeft plaatsgevonden, uitsluitend onder begeleiding (in Turkije) contact heeft met [de minderjarige] overweegt het hof het volgende.
Sinds het vertrek van de moeder met [de minderjarige] [in] 2024 naar Turkije is de voorlopige regeling – waarbij partijen voor de duur van de bodemprocedure om en om met [de minderjarige] in de woning van de vader in [woonplaats2] zullen verblijven om voor haar te zorgen (‘birdnesting’) – niet uitgevoerd. Daarom zal het hof, zoals de moeder zelf in eerste aanleg heeft verzocht, als voorlopige zorgregeling vaststellen dat [de minderjarige] om de veertien dagen een weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijft en dat de vakanties en feestdagen gelijkelijk tussen de ouders worden verdeeld.
5.5
Namens de moeder is nog ter zitting aangevoerd dat zij niet met [de minderjarige] naar Nederland kan reizen omdat voor [de minderjarige] een inreisverbod geldt. Het hof kan de moeder daarin niet volgen, nu [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

6.De slotsom

Grief 1 van de moeder faalt en grief 2 slaagt gedeeltelijk. De grief van de vader (in het incidenteel hoger beroep) slaagt. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – voor deelname door [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma dan wel een door het consultatiebureau opgesteld gepersonaliseerd programma voor vaccineren van [de minderjarige] ;
stelt vast als voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [de minderjarige] om de veertien dagen een weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijft en dat de vakanties en feestdagen gelijkelijk tussen de ouders worden verdeeld;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os-ten Have en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 11 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.