ECLI:NL:GHARL:2025:7060

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.357.669
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen na eerdere ondertoezichtstelling en verzoeken tot verlenging

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [minderjarige1] en [minderjarige2]. De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland had eerder op 15 mei 2025 een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van de kinderen tot 8 maart 2026. De moeder van de kinderen was het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep aangetekend. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig overwogen, waaronder de eerdere ondertoezichtstelling van de kinderen en de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen, die sinds 8 maart 2024 onder toezicht staan van de GI. De kinderrechter had eerder een machtiging verleend voor een pleeggezin, maar deze verviel omdat er geen passende woonplek werd gevonden. De moeder verzocht het hof om de beslissing van de kinderrechter ongedaan te maken, maar het hof oordeelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Het hof concludeerde dat, ondanks de inzet van hulpverlening, de ouders onvoldoende in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van de kinderen. De beslissing van de kinderrechter werd bekrachtigd, waarbij het hof de noodzaak van een veilige en voorspelbare opvoedsituatie voor de kinderen benadrukte.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem/Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.669
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 592666
beschikking van 11 november 2025
over de uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. N. Schiettekatte
en
de gecertificeerde instelling
(de GI)
Samen Veilig Midden-Nederland
die is gevestigd in Utrecht
en
[verweerder] (de vader)
die woont in [woonplaats]

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft [minderjarige1] en [minderjarige2] uit huis geplaatst van 15 mei 2025 tot 8 maart 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen, [minderjarige1] , geboren [in] 2021 in [geboorteplaats] en [minderjarige2] , geboren [in] 2023 in [geboorteplaats] .
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan sinds 8 maart 2024 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 8 maart 2026.
2.4
Op 26 november 2024 heeft de kinderrechter aan de GI een machtiging verleend om [minderjarige1] en [minderjarige2] tot 8 maart 2025 in een pleeggezin te plaatsen. Na het verlenen van deze machtiging heeft de GI niet binnen drie maanden een (passende) woonplek voor [minderjarige1] en [minderjarige2] gevonden. De machtiging is daarom vervallen. [1]

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
Op 17 januari 2025 heeft de GI de kinderrechter verzocht om [minderjarige1] en [minderjarige2] voor een jaar uit huis te mogen plaatsen (zaak met nummer 587353).
3.2.
De kinderrechter heeft op 18 februari 2025 het verzoek van de GI voor een deel toegewezen en een machtiging verleend voor een periode van drie maanden (van 18 februari 2025 tot 18 mei 2025).De beslissing is voor het overige deel aangehouden. De GI heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] (opnieuw) niet (binnen drie maanden) uitgevoerd.
3.3.
Op30 april 2025 heeft de GI de kinderrechter wederom verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] , voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 8 maart 2026 (zaak met nummer 592666).
3.4.
In de beschikking van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter (zaak met nummer 592666) toestemming aan de GI gegeven voor de uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg, van 15 mei 2025 tot 8 maart 2026.
De kinderrechter heeft in die beschikking overwogen dat het aangehouden deel van het verzoek van 17 januari 2025 (zaak met nummer 587353) niet meer wordt behandeld omdat die machtiging is vervallen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter van 15 mei 2025 om de kinderen tot 8 maart 2026 uit huis te plaatsen. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. Als dat verzoek niet wordt toegewezen, verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] toe te wijzen voor vier maanden, onder aanhouding van het overige, en een onderzoek te laten plaatsvinden via het [naam1] of door [naam2] .
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • een verweerschrift van de GI
  • een bericht van de raad van 27 augustus 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.4.
De zitting bij het hof was op 30 september 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met mr. De Gruijl, als waarnemer voor mr Schiettekatte
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de vader

5.Het oordeel van het hof

5.1.
Tijdens de zitting heeft de GI verteld dat zij bij [naam3] een ‘ [naam] -traject’heeft aangevraagd (perspectiefonderzoek). De moeder heeft vervolgens het verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten, ingetrokken. Dit punt hoeft geen verdere bespreking meer.
Wat staat in de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [2] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [3] .
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige1] en [minderjarige2] noodzakelijk is. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4.
[naam4] heeft van februari tot medio mei 2025 zeer intensieve opvoedondersteuning gegeven bij de ouders thuis, acht uur per dag gedurende meerdere dagen per week. Dat is als het ware in de plaats gekomen van een uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] . De GI heeft op de zitting verklaard dat [naam4] zo intensief is ingezet om de veiligheid van de kinderen te waarborgen en de opvoeding over te nemen. Voor de ouders zijn haalbare doelen opgesteld en er is met ouders gewerkt aan het halen en bestendigen van basis opvoedingvaardigheden.
Tijdens de zitting is besproken dat de dagverslagen van de medewerkers van [naam4] een discrepantie vertonen met de conclusies in het evaluatieverslag van [naam4] van april 2025. Zowel de ouders, als de GI en ook het hof hebben dit gelezen. Uit de dagverslagen blijkt dat ouders vooruitgang hebben geboekt, zoals bijvoorbeeld bij het stellen van grenzen en de veiligheid in huis. De ouders hebben adviezen van de hulpverlening opgevolgd. De conclusie van [naam4] is dat, ondanks de inzet en motivatie van ouders, zij op dit moment onvoldoende in staat zijn om structureel en consistent te voorzien in de basisbehoeften van beide kinderen. Er blijven aanzienlijke zorgen bestaan over de veiligheid, voorspelbaarheid en ontwikkelingskansen van de kinderen in de thuissituatie. Volgens de GI wordt de conclusie in het evaluatieverslag gedragen door het volledige team van [naam4] .
Het hof begrijpt dat het voor de ouders lastig is om in de dagverslagen te lezen dat zij stappen zetten en veel goed gaat – wat zij zelf ook onderschrijven – maar toch de conclusie is dat dit onvoldoende is om zelf voor [minderjarige1] en [minderjarige2] te zorgen.
Uit de stukken blijkt dat [minderjarige1] en [minderjarige2] , meer nog dan andere kinderen, een voorspelbare en veilige opvoedsituatie nodig hebben. Zij moeten de rust, regelmaat en emotionele ondersteuning krijgen die voor hen nodig is om tot een gezonde ontwikkeling te komen. Bij [minderjarige1] is lang sprake geweest van druk, ongeremd en fysiek grensoverschrijdend gedrag. Hij heeft moeite met het opvolgen van regels en aanwijzingen. In de zomer van 2025 is zijn gebit gesaneerd, twee kiezen zijn getrokken. Hij was niet gewend aan tanden poetsen. Hij is overbezorgd voor zijn broertje. Bij [minderjarige2] is herhaaldelijk gezien dat hij zichzelf verwondt. Hij heeft in het gezinshuis veel met zijn hoofd gebonkt en was extreem gefocust op eten. Hij heeft veel behoefte aan medische en ontwikkelingsgerichte ondersteuning vanwege zijn aangeboren hersenletsel en gebrek aan pijngrens.
5.5
Sinds voor de geboorte van [minderjarige1] in 2021 is heel veel hulp ingezet in het gezin. De GI heeft in het verweerschrift een opsomming gegeven. De ouders hebben dat wat genuanceerd; zo kon [naam5] in mei 2022 volgens hen niet starten in hun regio. Ook is de gezinsopname in Beilen niet aangevangen. Dat laat onverlet dat er erg veel hulpverlening bij het gezin betrokken is geweest.
Met de GI ziet het hof dat de conclusie van [naam4] in lijn is met eerdere bevindingen van hulpverleners, zoals onder meer van [naam6] . De ouders hebben moeite met het herkennen van de signalen van de kinderen en zij passen hun opvoeding maar beperkt aan, en het beklijft niet. Ondanks alle hulp blijven er ook spanningen bestaan in het gezin en kunnen de ouders onvoldoende met elkaar samenwerken. Tijdens de zitting hebben de ouders verklaard dat zij onderzoeken of zij weer als partners samen verder willen.
Uit de evaluatie van de ondertoezichtstelling van de GI van 29 april 2025 blijkt dat de vier voorwaarden en bijbehorende doelen die zijn gesteld bij de ondertoezichtstelling niet zijn behaald. De GI stelt vast dat, ondanks de inzet en motivatie van de ouders, is gebleken dat zij onvoldoende in staat zijn om structureel en consistent te voorzien in de basale behoeften van [minderjarige1] en [minderjarige2] . Ondanks de jarenlange inzet van hulpverlening en een ultieme laatste poging om een uithuisplaatsing te voorkomen, blijven de risico's voor verdere achteruitgang en schade in de ontwikkeling van de kinderen aanwezig. Juist voor [minderjarige1] en [minderjarige2] is een dagritme zeer belangrijk en de voorspelbaarheid in reactie van ouders op gedrag van de kinderen en dat ontbreekt, ook na inzet van hulpverlening.
5.6
De GI heeft verklaard dat [minderjarige1] en [minderjarige2] zich goed ontwikkelen in het huidige gezinshuis. De ouders hebben eenmaal in de veertien dagen contact met [minderjarige1] en [minderjarige2] . De ouders hebben goed contact met de pleegouders en worden op de hoogte gehouden van belangrijke dingen. Ook krijgen de ouders rechtstreeks berichten en foto’s van de pleegouders van leuke momenten. De moeder gaat ook mee met [minderjarige2] naar belangrijke afspraken in het ziekenhuis. Het is positief dat de samenwerking tussen de pleegouders en de ouders op dit moment goed verloopt en dat de ouders zo betrokken zijn bij de kinderen.
5.7
De GI heeft verklaard dat de intake bij [naam] al heeft plaatsgevonden en dat op zijn vroegst in december 2025 met het perspectiefonderzoek zal worden gestart. Daarbij zal worden gekeken naar de mogelijkheid van terugplaatsing. En als dat niet mogelijk is, hoe het contact tussen de ouders en de kinderen vorm moet krijgen. Aangezien dit onderzoek op korte termijn wordt gestart, ziet het hof geen aanleiding een nader onderzoek door de raad te laten doen.
5.8
Alles tezamen maakt dat het hof de beslissing van de kinderrechter zal bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van
15 mei 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] tot 8 maart 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, K. Mans en M.E.L. Klein, bijgestaan door de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:265c lid 3 Burgerlijk Wetboek
2.artikel 1:265b lid 1 BW.
3.artikel 1:265c lid 2 BW.