In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin de rechtbank de bezwaren van belanghebbende tegen belastingaanslagen ongegrond heeft verklaard. De rechtbank kende belanghebbende een vergoeding toe voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, waarbij de inspecteur van de Belastingdienst een verweerschrift heeft ingediend. Tijdens de zitting op 2 oktober 2025 zijn de gemachtigde van belanghebbende en vertegenwoordigers van de inspecteur gehoord. Belanghebbende heeft zijn hoger beroep tegen de uitspraak over de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet ingetrokken. De zaak is gelijktijdig behandeld met andere zaken van belanghebbende en zijn ex-echtgenote.
De feiten van de zaak zijn als volgt: na een brand in 2016 was de woning van belanghebbende en zijn ex-echtgenote niet meer bewoonbaar. In hun aangiften voor 2018 hebben zij gekozen om als fiscaal partners te worden aangemerkt. De schade-uitkering van de verzekeringsmaatschappij Turien is door belanghebbende in box 1 opgenomen, maar de inspecteur stelt dat deze in box 3 moet worden aangegeven. Het hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de goedkeuring van het nieuwbouwdepot, en bevestigt daarmee de aanslag van de inspecteur. Het hof ziet geen reden om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van werkelijke proceskosten, en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn niet is overschreden. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.