ECLI:NL:GHARL:2025:6985

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
24/598 en 24/599
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake belastingaanslagen en schade-uitkering na brand

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin de rechtbank de bezwaren van belanghebbende tegen belastingaanslagen ongegrond heeft verklaard. De rechtbank kende belanghebbende een vergoeding toe voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, waarbij de inspecteur van de Belastingdienst een verweerschrift heeft ingediend. Tijdens de zitting op 2 oktober 2025 zijn de gemachtigde van belanghebbende en vertegenwoordigers van de inspecteur gehoord. Belanghebbende heeft zijn hoger beroep tegen de uitspraak over de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet ingetrokken. De zaak is gelijktijdig behandeld met andere zaken van belanghebbende en zijn ex-echtgenote.

De feiten van de zaak zijn als volgt: na een brand in 2016 was de woning van belanghebbende en zijn ex-echtgenote niet meer bewoonbaar. In hun aangiften voor 2018 hebben zij gekozen om als fiscaal partners te worden aangemerkt. De schade-uitkering van de verzekeringsmaatschappij Turien is door belanghebbende in box 1 opgenomen, maar de inspecteur stelt dat deze in box 3 moet worden aangegeven. Het hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de goedkeuring van het nieuwbouwdepot, en bevestigt daarmee de aanslag van de inspecteur. Het hof ziet geen reden om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van werkelijke proceskosten, en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn niet is overschreden. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/598 en 24/599
uitspraakdatum: 4 november 2025
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 2 februari 2024, nummers AWB 23/1782 en 23/1783, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.296 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.011, alsmede een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (ZVW). Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft de bezwaren tegen die aanslagen en beschikkingen bij in één geschift vervatte uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, en vanwege overschrijding van de redelijke termijn een vergoeding van immateriële schade, proceskosten en betaald griffierecht toegekend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. C.A.H. Bikkers, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en mr.drs. [naam2] namens de Inspecteur. Met instemming van partijen is de zaak gelijktijdig behandeld met de zaken met de nummers ARN 24/596 en 24/597 van mevrouw [naam3] (hierna: de ex-echtgenote). Ter zitting heeft belanghebbende zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank over de ZVW ingetrokken [1] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Na een brand op 17 december 2016 (hierna: de brand) was de woning van belanghebbende en de ex-echtgenote aan de [adres1] 2 in [plaats1] (hierna: de woning) niet meer bewoonbaar.
2.2.
Belanghebbende en de ex-echtgenote hebben met dagtekening 30 september 2018 een echtscheidingsconvenant getekend.
2.3.
In hun aangiften IB/PVV 2018 hebben belanghebbende en de ex-echtgenote gekozen om het gehele jaar als fiscaal partner te worden aangemerkt.
2.4.
Verzekeringsmaatschappij Turien heeft de schade door de brand ten aanzien van de opstal (herbouwwaarde) vastgesteld. Belanghebbende en de ex-echtgenote hebben dit in hun aangiften IB/PVV 2018 in box 1opgenomen met de volgende omschrijving:
“Bouwdepot: Turien schadeuitkering brand, [nummer1]
Omschrijving Turien schadeuitkering brand
IBAN (rekeningnummer) [nummer1]
Soort depot Nieuwbouwdepot
Hoort dit depot bij een hypotheek voor
uw (toekomstige) hoofdverblijf? Ja
Datum overeenkomst depot 14-07-2017
Datum contract aannemer 31-12-2018
Is de (ver)bouw in 2018 of eerder voltooid? Nee
Saldo op 1 januari 2018 € 688.766
Saldo op 31 december 2018 € 629.560
Bijgeschreven rente in 2018 € 0”
2.5.
De woning is herbouwd. Na de herbouw is de ex-echtgenote in de woning gaan wonen.
2.6.
Volgens het kadaster is de woning op 20 januari 2023 aan de ex-echtgenote toebedeeld.
2.7.
Belanghebbende en de ex-echtgenote hebben afgesproken dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) voor het jaar 2018 uitsluitend bij belanghebbende in aanmerking wordt genomen.

3.Compromis

3.1.
Partijen zijn ter zitting bij wijze van compromis overeengekomen dat voor de jaren 2018, 2019 en 2020 geen sprake is van aftrekbare rentekosten ter zake van de woning.
3.2.
Het Hof zal, voor zover in deze zaak over het jaar 2018 van belang, beslissen overeenkomstig dit compromis.

4.Geschil

4.1.
Het onder 3.1 vermelde compromis heeft tot gevolg dat in onderhavige zaak in hoger beroep uitsluitend nog in geschil is:
- of de schade-uitkering van Turien als ‘nieuwbouwdepot’ tot box 1 of box 3 behoort; en
- of recht bestaat op vergoeding van werkelijke proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase.
Voorts heeft belanghebbende verzocht om schadevergoeding.
4.2.
Belanghebbende stelt dat de schade-uitkering terecht als ‘nieuwbouwdepot’ tot het box 1 vermogen is gerekend en dat hij recht heeft op vergoeding van zijn werkelijke proceskosten.
4.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanspraak op schade-uitkering behoort tot het box 3 vermogen en dat geen recht bestaat op vergoeding van de werkelijke proceskosten.

5.Beoordeling van het geschil

Schade-uitkering
5.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat het recht op schade-uitkering door Turien moet worden aangemerkt als een nieuwbouwdepot en daarom tot het box 1 vermogen moet worden gerekend.
5.2.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade-uitkering door Turien niet kan worden aangemerkt als een nieuwbouwdepot en in box 3 moet worden aangegeven. Volgens de Inspecteur is niet voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de goedkeuring in het besluit van de Minister van Financiën om het nieuwbouwdepot om praktische redenen in box 1 te plaatsen. [2] De Inspecteur betwist dat sprake is van een opgenomen lening waarvan het geld wordt geplaatst op een bankrekening die belanghebbende speciaal heeft geopend voor de nieuwbouw van de woning, het zogenaamde nieuwbouwdepot. Hij wijst erop dat belanghebbende volgens het echtscheidingsconvenant een aanspraak uit hoofde van de opstalverzekering heeft bij Turien en dat belanghebbende verder geen documenten heeft verstrekt waaruit blijkt dat sprake is van een nieuwbouwdepot als omschreven in de goedkeuring.
5.3.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende die zich op een goedkeuring beroept en op wie de bewijslast rust dat hij voor die goedkeuring in aanmerking komt, mede gelet op de betwisting door de Inspecteur, met de enkele stelling dat sprake is van een nieuwbouwdepot niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor de goedkeuring voldoet. Het gelijk op dit punt is daarom aan de Inspecteur.
5.4.
Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2018 van belanghebbende niet te hoog is vastgesteld en het hoger beroep in zoverre ongegrond is.
5.5.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Werkelijke proceskosten voor bezwaar en beroep?
5.6.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor de werkelijke kosten van bezwaar en beroep heeft toegekend.
5.7.
Het Hof ziet geen reden om aan te nemen dat de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 tegen beter weten heeft opgelegd, in bezwaar tegen beter weten in stand heeft gelaten en in beroep tegen beter weten in heeft verdedigd, of dat de Inspecteur overigens in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van het Hof is er daarom geen sprake van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die zouden moeten leiden tot een vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase.
Verzoek om schadevergoeding
5.8.
Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij het verzoek om schadevergoeding enkel heeft opgenomen voor de situatie dat de redelijke termijn in hoger beroep zou worden overschreden. Het Hof heeft het hoger beroepschrift van belanghebbende op 14 maart 2024 ontvangen. Sindsdien is tot het moment dat het Hof deze uitspraak doet minder dan twee jaar verstreken, zodat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

6.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

7.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.De intrekking betreft zaaknummer BK-ARN 24/599 (bij de Rechtbank ARN 23/1783).
2.Besluit van de Minister van Financiën van 10 juni 2010, nr. DGB2010/921, onderdeel 3.4, Staatscourant 2010, 8462.