ECLI:NL:GHARL:2025:6980

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
21-002553-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in strafzaak diefstal, belediging en bedreiging met voorwaardelijke straf

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal van twee plantenbakken, meervoudige belediging van opsporingsambtenaren tijdens hun dienst en bedreiging met zware mishandeling. Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en doet opnieuw recht na terugwijzing door de Hoge Raad.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de genoemde feiten heeft gepleegd. De beledigingen betroffen grove, racistische en kwetsende uitlatingen gericht aan BOA's in het openbaar vervoer. De bedreiging bestond uit dreigementen met het uit slaan van tanden. Verdachte heeft een belast verleden met soortgelijke feiten en een psychiatrische achtergrond, waaronder schizofrenie en een lichte verstandelijke beperking.

Gezien de ernst van de feiten en het strafblad legt het hof een gevangenisstraf van twee weken op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, om de positieve ontwikkeling van verdachte niet te verstoren. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel. Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002553-25
Uitspraakdatum: 6 november 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: Hoge Raad) bij arrest van 3 juni 2025 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 april 2019 met parketnummer 16-263494-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-089087-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [plaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
- bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;
- veroordeling van verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 50, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en
- niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 16-089087-18 in verband met de tenuitvoerlegging in 21-006930-18.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat, mr. P.J. Stronks, gemachtigd raadsman, namens verdachte heeft aangevoerd.

Het vonnis

Verdachte is door de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland voor de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 50, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 16-089087-18.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 1 augustus 2018 te [plaats] twee plantenbakken met kunstplanten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij, op of omstreeks 22 december 2018 te [plaats] opzettelijk drie ambtenaren, te weten
- [benadeelde] , BOA Domein IV Openbaar Vervoer en/of
- [slachtoffer 2] , BOA Domein IV Openbaar Vervoer en/of
- [slachtoffer 3] , BOA Domein IV Openbaar Vervoer,

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hunner bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen:

- ''vuile kankerjood'' en/of
- ''schrijf snel die bon vuile kankeraap/neger'' en/of
- ''schiet op, vuile lange kankerhomo'' en/of
- ''daar heb ik schijt aan, ik neuk je kankermoeder'' en/of
- ''jullie zijn allemaal kankerlijers'' en/of
- ''Amis nkahba azamer (Marokkaans voor hoerenkind en homo) en/of
- ''vuile kankerlijer''

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.
hij, op of omstreeks 22 december 2018 te [plaats] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen "we gaan daar naartoe (wijzend naar winkelcentrum) en ik sla je tanden uit je bek" en/of ''wat wil je nou, ik sla al je tanden uit je bek vuile kankerlijer'', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Deze bewijsmiddelen worden aangevuld wanneer tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld.
Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:
1.
hij op 1 augustus 2018 te [plaats] twee plantenbakken met kunstplanten, die toebehoorden aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 22 december 2018 te [plaats] opzettelijk ambtenaren, te weten
- [benadeelde] , BOA Domein IV Openbaar Vervoer en/of
- [slachtoffer 2] , BOA Domein IV Openbaar Vervoer en/of
- [slachtoffer 3] , BOA Domein IV Openbaar Vervoer, gedurende de rechtmatige uitoefening van hunner bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen:
- ''vuile kankerjood'' en
- ''schrijf snel die bon vuile kankeraap/neger'' en
- ''schiet op, vuile lange kankerhomo'' en
- ''daar heb ik schijt aan, ik neuk je kankermoeder'' en
- ''jullie zijn allemaal kankerlijers'' en
- ''Amis nkahba azamer (Marokkaans voor hoerenkind en homo) en
- ''vuile kankerlijer'';
3.
hij op 22 december 2018 te [plaats] [benadeelde] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen "ik sla je tanden uit je bek" en ''wat wil je nou, ik sla al je tanden uit je bek vuile kankerlijer''.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, namelijk het plegen van een diefstal van twee plantenbakken bij een horecabedrijf, het beledigen van opsporingsambtenaren en aan een bedreiging van een opsporingsambtenaar. Diefstal is een hinderlijk feit. Het veroorzaakt schade en zorgt voor overlast en ergernis bij de gedupeerde. Tevens heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan belediging van ambtenaren in functie en bedreiging van een ambtenaar. Met betrekking tot de belediging en bedreiging van de ambtenaren merkt het hof op dat dit gedrag van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Door de ambtenaren te beledigen heeft verdachte hen aangetast in hun eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen en bedreigingen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, van 16 september 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke (overlast gevende) feiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er blijkbaar niet van weerhouden om nogmaals soortgelijke feiten te plegen. Zo bezien weegt verdachte’s strafblad in strafverzwarende zin mee in de strafoplegging.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman van verdachte op zitting naar voren zijn gebracht. Ook heeft het hof het reclasseringsrapport van 21 oktober 2025 bij de strafoplegging betrokken. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte een belast verleden heeft en vanaf zijn twaalfde bekend is binnen de gedwongen (jeugd)hulpverlening. Hij is gediagnosticeerd met schizofrenie, een licht verstandelijke beperking en in het verleden was er sprake van problematisch middelengebruik. Dit leidde eerder tot disfunctioneren en delictgedrag. Het is hem jarenlang niet gelukt om, ondanks de tientallen hulpverleningstrajecten, stabiliteit aan te brengen in zijn leven. In een andere zaak is aan verdachte reclasseringstoezicht opgelegd. Binnen dit reclasseringstoezicht is het voor het eerst in jaren wel gelukt om meer stabiliteit aan te brengen. Hij is inmiddels abstinent van de middelen en is sinds juni 2024 woonachtig bij een beschermde woonvorm. Dit gaat goed. Hij verricht dagbesteding en krijg hulp bij zijn financiële situatie. Daarnaast volgt hij trouw zijn ambulante behandeling bij [zorgverlener] . De kans op recidive wordt inmiddels, in tegenstelling tot een in deze zaak in 2022 opgemaakt reclasseringsrapport, dan ook ingeschat als laag – gemiddeld.
Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de positieve lijn in het leven van verdachte mogelijk doorkruisen, hetgeen het hof onwenselijk acht. Het hof zal daarom aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf opleggen om hem in de gelegenheid te stellen de ingezette weg naar stabiliteit te bestendigen. Gelet op de hiervoor omschreven ernst van de feiten is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden is. Het hof zal in deze zaak geen bijzondere voorwaarden aan verdachte opleggen omdat het hof in een andere zaak van verdachte, waarin het hof gelijktijdig uitspraak doet, al bijzondere voorwaarden aan verdachte heeft opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 50,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep dan ook te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Artikel 6:95 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat uit vermogensschade en ander nadeel. Dit laatste voor zover de wet recht geeft op vergoeding daarvan. Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.
De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij onder meer het volgende overwogen: “Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij geestelijk zwaar is geraakt door de geuite belediging door de medische situatie van zijn moeder op dat moment. Verdachte heeft een dag niet kunnen werken door de daardoor ontstane hoofdpijn. De dagen na het incident was hij emotioneel instabiel.
Het hof is van oordeel dat door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel waardoor gesproken kan worden van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanheft en onder b, BW. Het hof verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, opgelegd in de zaak met parketnummer 16-089087-18. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is reeds gelast in het onherroepelijk geworden arrest van 30 april 2021 in de zaak met parketnummer 21-006930-18. Daarom dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 266, 267, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering tenuitvoerlegging

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 16-089087-18.
Aldus gewezen door
mr. R. Godthelp, voorzitter,
mr. M.C. van Linde en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 6 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.