ECLI:NL:GHARL:2025:6957

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
200.353.781/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:404 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie met afwijking forfaitaire woonlasten

In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel inzake de vaststelling van kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen. De vrouw vordert een hogere alimentatie dan door de rechtbank vastgesteld, waarbij het geschil vooral draait om de woonlasten die bij de draagkracht van de man in aanmerking moeten worden genomen.

De rechtbank had rekening gehouden met de werkelijke huurlasten van de man van € 1.275,- per maand in plaats van het forfaitaire woonforfait van 30% van het netto besteedbaar inkomen. De vrouw betwist dit en stelt dat de man zijn woonlasten kan verlagen of delen, waardoor hij meer draagkracht zou hebben voor alimentatie.

Het hof oordeelt dat tot de verhuisdatum van de man naar een koopwoning de werkelijke huurlasten redelijk zijn en dat vanaf die datum de woonlasten gedeeld worden met zijn partner, waardoor de draagkracht van de man toeneemt. De kinderalimentatie wordt daarom deels vernietigd en vastgesteld op € 68,- per kind per maand tot de verhuisdatum en € 286,50 per kind per maand vanaf die datum.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de overige vorderingen zijn afgewezen.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 68,- per kind per maand tot de verhuisdatum en € 286,50 per kind per maand vanaf die datum.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.781
(zaaknummer rechtbank Overijssel 314365)
beschikking van 6 november 2025
inzake
[verzoekster],
wonende in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.S.M. Oude Breuil,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 25 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 april 2025;
- een journaalbericht namens de vrouw van 11 september 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man.

3.De feiten

3.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitgesproken. Deze beschikking is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De vrouw en de man zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2022;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2024.
De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de vrouw.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking is bepaald dat de man met ingang van 25 februari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: de kinderalimentatie) aan de vrouw € 68,- per kind per maand zal betalen.
4.2
De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de beslissing over de kinderalimentatie en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie met ingang van 25 februari 2025 vast te stellen op € 350,- per kind per maand.
4.3
De man heeft op de zitting verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:404 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek zijn de vrouw en de man verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Hieruit volgt dat de onderhoudsverplichting wordt begrensd door, enerzijds, de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en anderzijds door de draagkracht van de vrouw en de man. Voor de berekening van de kinderalimentatie volgt het hof de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen (het rapport Alimentatienormen).
hoogte behoefte kinderen
5.2
Tussen de vrouw en de man is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (geïndexeerd naar 2025) € 479,- per kind per maand bedraagt.
draagkracht
5.3
Tussen de vrouw en de man is evenmin in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 98,- per maand is.
5.4
De draagkracht van de man is wel in geschil. De vrouw en de man verschillen van mening over de vraag met welke woonlasten van de man rekening moet worden gehouden.
5.5
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van het door de rechtbank berekende netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2025 van € 2.779,- per maand. Daartegen is geen grief gericht. Van dat inkomen heeft de man een deel nodig om de eigen noodzakelijke lasten te voldoen: het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bedraagt volgens de in 2025 geldende formule 30% van het NBI - primair ter bestrijding van woonlasten - plus € 1.310,- ter bestrijding van de overige lasten. Voor de man zou dat betekenen dat hij een draagkracht heeft van: 70% van [€ 2.779,- - (0,3 x € 2.779,-
(€ 833,70) + € 1.310,-)] = afgerond € 445,- per maand.
woonlasten
5.6
De rechtbank heeft alleen geoordeeld dat het voor de man in zijn situatie onredelijk is rekening te houden met het woonforfait van 30% van het NBI en heeft rekening gehouden met de werkelijke huurlasten van de man van € 1.275,- per maand.
5.7
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte met de werkelijke huurlasten van de man rekening heeft gehouden, omdat er een tekort in draagkracht is en het betalen van kinderalimentatie voor het betalen van de huurlasten van de man gaat. Als al van de werkelijke huurlasten wordt uitgegaan, dan zou niet moeten worden uitgegaan van een beschikbare draagruimte voor de betaling van kinderalimentatie van 70%, maar zou de volledige draagkracht daarvoor moeten worden benut. Volgens de vrouw heeft de man ook niet aangetoond dat hij niet een woning kan huren met lagere huurlasten, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van kinderalimentatie. Bovendien stelt de vrouw dat de man de huurlasten kan delen met zijn vrouwelijke collega die in dezelfde woning woont.
5.8
Op de zitting heeft de man verklaard dat hij sinds [datum1] 2025 een relatie heeft met een vrouwelijke collega. Voor die tijd sliep zij af en toe in de woning, maar droeg zij niet bij aan de huurlasten. Sinds [datum2] 2025 woont de man samen met zijn partner in een eigen (koop)woning en de netto woonlasten van deze woning zijn volgens de man ongeveer € 1.300,- per maand en die lasten delen hij en zijn partner.
5.9
Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de man tot [datum2] 2025 (de verhuisdatum van de man) in redelijkheid rekening houden met hetzelfde bedrag aan huurlasten als de rechtbank heeft gedaan, namelijk € 1.275,- per maand. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het hem niet kan worden verweten of dat hij het niet heeft kunnen vermijden dat zijn woonlasten toen aanmerkelijk hoger waren dan het woonforfait waar in de formule vanuit wordt gegaan. Weliswaar is de man op enig moment na [datum1] 2025 gaan samenwonen met zijn partner, maar zal de man waarschijnlijk ook nog enige tijd dubbele woonlasten hebben gehad in verband met de aankoop van de nieuwe woning. Het hof houdt daarom tot [datum2] 2025 rekening met alleen zijn huurlasten van € 1.275,- per maand.
Vanaf [datum2] 2025 gaat het hof ervan uit dat hij de woonlasten deelt met zijn partner en houdt het hof rekening met de helft van de netto woonlasten van € 1.300,- per maand, te weten € 650,- per maand. Dit doet het hof zo, omdat indien van het woonforfait wordt uitgegaan, sprake is van een tekort aan draagkracht (€ 445,- + € 98,- = € 543,-) om in de behoefte van de kinderen (totaal € 958,-) te voorzien, terwijl de werkelijke woonlasten van de man (€ 650,-) duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget (€ 833,70), omdat hij de woonlasten kan delen met zijn partner.
5.1
Gelet op het voorgaande is de draagkracht van de man tot [datum2] 2025 conform de berekening van de rechtbank € 136,- per maand. Met ingang van [datum2] 2025 is de draagkracht van de man: 70% van [€ 2.779,- - (€ 650, + € 1.310,-)] = afgerond € 573,- per maand.
draagkrachtvergelijking
5.11
De behoefte van de kinderen bedraagt in totaal € 958,- per maand. De vrouw en de man beschikken gezamenlijk over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zowel in de periode tot [datum2] 2025 (draagkracht van de vrouw en de man samen € 234,- per maand) als in de periode vanaf [datum2] 2025 (draagkracht van de vrouw en de man samen € 671,- per maand). Daarom kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.
zorgkorting
5.12
De kosten van verblijf van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de man worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van het contact tussen de man en de kinderen. Op de zitting is gebleken dat er geen contact is tussen de man en de kinderen en dat het ook niet de verwachting is dat daarin binnen afzienbare tijd verandering komt. Het hof houdt dus geen rekening met een bedrag aan zorgkorting, omdat de kinderen niet bij de man verblijven en hij geen kosten voor hen maakt.
ingangsdatum
5.13
De rechtbank gaat uit van de datum van de bestreden beschikking als ingangsdatum voor de kinderalimentatie (oftewel 25 februari 2025). Daartegen is geen grief gericht, zodat het hof ook van deze ingangsdatum uitgaat.
conclusie
5.14
Het vorenstaande betekent dat de man zijn volledige draagkracht dient aan te wenden voor de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Dit betekent dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de periode van 25 februari 2025 tot [datum2] 2025 blijft op het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 68,- per kind per maand en met ingang van [datum2] 2025 wordt vastgesteld op € 286,50 per kind per maand.

6.Slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking deels vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 25 februari 2025, voor zover deze ziet op de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie over de periode vanaf [datum2] 2025;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van [datum2] 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 286,50 per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 25 februari 2025, voor zover deze ziet op de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie over de periode van 25 februari 2025 tot [datum2] 2025 en
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, E. de Boer en I.J. Pieters en is op 6 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.