Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:6943

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
200.352.968/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 96 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage specificaties beveiligingscamera's in burengeschil

In deze civiele zaak staat een burengeschil centraal waarbij appellanten vorderen dat geïntimeerden inzage geven in de specificaties van beveiligingscamera's die aan hun woning zijn bevestigd. Deze camera's maken beeld- en geluidsopnames, en appellanten menen dat zij vanwege hun privacybelang recht hebben op deze gegevens om de werking en het bereik van de camera's te kunnen controleren.

De rechtbank had eerder de vorderingen van appellanten afgewezen wegens gebrek aan belang, mede omdat een eerdere procedure over dezelfde camera's reeds onherroepelijk was beslist. In hoger beroep wordt de vordering tot inzage van specificaties opnieuw ingediend als incidentele vordering.

Het hof oordeelt dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is en dat voor het verkrijgen van inzage een voldoende concreet belang vereist is. Het geschil richt zich vooral op de aanwezigheid van de camera's, niet op hun technische specificaties. Omdat het belang van appellanten op dit moment onvoldoende concreet is, wijst het hof de vordering af. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling en kostenbeslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De vordering tot inzage in de specificaties van de beveiligingscamera's wordt afgewezen wegens gebrek aan concreet belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.352.968/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 233858)
arrest in het incident ex art. 194/195 Rv van 4 november 2025
in de zaak van

1.[appellant1] en

2.
[appellant2]
die wonen in [woonplaats1]
die hoger beroep hebben ingesteld
en die eisers zijn in het incident
en die bij de rechtbank optraden als eisers in conventie en verweerders in reconventie
hierna:
[appellanten]
advocaat: mr. G.L. Breunesse te Leusden
tegen

1.[geïntimeerde1] en

2.
[geïntimeerde2]
die wonen in [woonplaats1]
die verweerders zijn in het incident
en die bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie
hierna:
[geïntimeerden]
advocaat: mr. M. Helmantel te Groningen.

1.De procedure bij de rechtbank

Bij de rechtbank is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
19 juni 2024 en 26 februari 2025 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (hierna: de rechtbank).

2.De procedure bij het hof

2.1
Het procesverloop bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 25 maart 2025;
- de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis van 17 juni 2025;
- de incidentele conclusie tot het bevelen van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens ex artikel 194/195 Rv van 17 juni 2025;
- de antwoordconclusie in het incident van 1 juli 2025.
2.2
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven.

3.De beoordeling in het incident

3.1
Voor zover van belang voor de beoordeling in dit incident, gaat het in deze zaak om het volgende.
3.2
Partijen wonen aan de [adres1] in [woonplaats1] . [appellanten] wonen op [adres1] , [geïntimeerden] wonen op [adres1] . Zij zijn buren van elkaar en hun woningen, voortuinen en achtertuinen grenzen aan elkaar.
3.3
[geïntimeerden] hebben aan de voorzijde van hun woning een beveiligingscamera geplaatst. Partijen hebben eerder een procedure gevoerd waarin de aanwezigheid van deze camera één van de geschilpunten was. Deze procedure is geëindigd in een (onherroepelijk) vonnis van de kantonrechter ex art. 96 Rv Pro van 25 juli 2023.
3.4
In deze procedure is wederom sprake van burengeschillen tussen partijen. Eén van de vorderingen van [appellanten] in conventie betrof de verwijdering van camera's aan de voor- en achtergevel van de woning van [geïntimeerden] , inclusief de beveiligingscamera naast de voordeur. Een andere vordering betrof een verbod om aan de woning van [geïntimeerden] of elders op hun perceel camera's te plaatsen die beeld- en/of geluidopnames kunnen maken van het perceel van [appellanten] Eén en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen.
3.5
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank [appellanten] ten aanzien van deze vorderingen wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overwoog hiertoe dat in het vonnis van de kantonrechter van 25 juli 2023 uitvoerig is ingegaan op nagenoeg dezelfde vorderingen en dat niet is komen vast te staan dat de situatie sindsdien is veranderd. Dit oordeel bestrijden [appellanten] met hun vijfde grief en zij concluderen in hun memorie van grieven tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen die betrekking hebben op de camera's van [geïntimeerden]
3.6
In het incident vorderen [appellanten] dat [geïntimeerden] hoofdelijk wordt bevolen om inzage, afschrift of uittreksel van de gegevens (specificaties) te verstrekken omtrent het bereik, zowel visueel als auditief, van de door [geïntimeerden] aan de voor- en achterzijde van hun woning aangebrachte camera's. Eén en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van dit incident. [appellanten] hebben hiertoe aangevoerd dat het voor hun niet te controleren valt hoe de camera's van [geïntimeerden] afgesteld staan en hoe zij bediend (kunnen) worden. Vanwege het recht op eerbiediging van hun privacy hebben [appellanten] belang bij verstrekking van de gevraagde gegevens, die zich in het domein van [geïntimeerden] bevinden. Nadat [geïntimeerden] de gegevens hebben verstrekt, kunnen [appellanten] hun eis op dit punt zo nodig aanpassen. Aldus tot zover [appellanten]
3.7
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van dit incident.
3.8
Het hof stelt voorop dat het hoger beroep op 25 maart 2025 is ingesteld. Dit heeft tot gevolg dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is dat op 1 januari 2025 in werking is getreden (zie artikel XIIa van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht). In artikel 195 lid 1 Rv Pro is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
3.9
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Ook als degene van wie inzage, afschrift of uittreksel wordt gevraagd de gegevens niet zelf onder zich heeft, maar de gegevens wel gemakkelijk van een derde kan verkrijgen, kan het verzoek worden toegewezen.
3.1
Volgens [appellanten] hebben zij de gevraagde gegevens nodig voor het geval het hof zou oordelen dat zij vooralsnog onvoldoende bewijs voor hun stellingen hebben geleverd. Het hof ziet echter geen belang bij toewijzing van de vordering op dit moment. Het geschil gaat meer over de aanwezigheid van de camera's dan over de technische mogelijkheden daarvan. Dat de camera's geluidsopnames kunnen maken, staat wel vast. Het hof zal de vordering daarom afwijzen bij gebreke van een voldoende concreet belang op dit moment. Het hof voegt daar aan toe dat het in de rede ligt dat te zijner tijd een mondelinge behandeling zal worden gelast en dat bij die gelegenheid zonodig nader op dit punt kan worden ingegaan.
3.11
De incidentele vordering zal worden afgewezen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om verder te procederen.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1
wijst de vordering af;
4.2
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
4.3
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 16 december 2025voor memorie van antwoord;
4.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 november 2025.