De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “signalen geven in een ander geval of op andere manier dan mag”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 december 2022 om 13.21 uur op de Ryksweg (A4) in Leidschendam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert – kort samengevat – het volgende aan. De kantonrechter heeft overwogen dat de betrokkene geen bewijs kon tonen dat er toestemming is gevraagd voor het gebruik van het gevarenlicht tijdens de rally van 30 december 2022. De betrokkene legt uit dat hij zich voorafgaand aan de rally heeft gemeld op de verzamelplek bij de Iraanse ambassade in Den Haag. Ook was de politie op die plek aanwezig. De organisator van de rally heeft de betrokken deelnemers - vijftig auto’s - geïnstrueerd om gebruik te maken van hun gevarenlichten. Gelet hierop was de betrokkene dan ook in de veronderstelling dat er (door de politie) toestemming was verleend voor het gebruik van zijn gevarenlichten. De betrokkene legt uit dat hij dit ook bij zijn staandehouding heeft verklaard. Voorts is de betrokkene van mening dat de politie tegenstrijdige verhalen heeft verteld. Nadat de betrokkene contact heeft opgenomen met het politiebureau in Capelle aan den IJssel, is aan hem verteld dat er weliswaar om toestemming is gevraagd, maar is ook een nieuwe reden medegedeeld waarom de sanctie is opgelegd. De betrokkene zou namelijk te ver zijn weggereden van de groep auto’s. Dit klopt volgens de betrokkene niet. Hierbij stelt de betrokkene zich op het standpunt dat hij vanwege slechte weersomstandigheden en een splitsing op het wegdek bijna een dodelijke aanrijding had met een vrachtauto, maar dat hij deze heeft weten te voorkomen.
Hierdoor was het voor de betrokkene onmogelijk om door te rijden vanwege de paniek die bij hem was ontstaan. Voorts merkt de betrokkene op dat hij met toestemming van de politie een stok aan zijn auto had bevestigd waaraan een vlag zat. Het was dan ook niet verstandig om harder dan 80 kilometer per uur te rijden, omdat de vlag anders zou wegwaaien en op andere voertuigen terecht kon komen. De betrokkene merkt verder op dat hij is staande gehouden door een mannelijke ambtenaar en in de veronderstelling was dat diegene zijn bezwaar zou beantwoorden via de officier van justitie. Nadat hij een bezoek heeft gebracht aan het politiebureau, kwam de betrokkene erachter dat de heer [agent] (naar het hof begrijpt: [agent] ) niet een mannelijke, maar een vrouwelijke agent bleek te zijn. Het kan dan ook niet kloppen dat door een vrouwelijke agent een boete aan de betrokkene is opgelegd. De vrouwelijke agent was op dat moment namelijk bezig met een landgenoot uit België aan wie uiteindelijk geen sanctie is opgelegd. De betrokkene merkt tot slot op dat hij eerder in de procedure een getuigenverklaring heeft ingebracht, maar dat de kantonrechter hier geen rekening mee heeft gehouden. Bij het hoger beroepschrift heeft hij een bericht gevoegd dat hij heeft verstuurd naar de organisator van de rally. Hier is (nog) op niet gereageerd. Ook heeft hij een screenshot van de flyer van de rally als bijlage bijgevoegd.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de betrokkene op een autosnelweg reed met zijn gevarenlichten aan. (…)
Naam van ambtenaar 1: [agent] . (…)
Verklaring betrokkene: de politieagent had gezegd dat het mocht.”
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 19 mei 2023 waarin dezelfde verbalisant het volgende verklaart:
“Betrokkene heeft het in zijn beroep over dat hij toestemming had van de politie en dat hij deelnam aan een demonstratie en zodoende zijn gevarenlichten kon gebruiken op de voorval (naar het hof begrijpt: voorgevallen) locatie. Ten tijde dat ik de betrokkene stilhield ter controle kon de betrokkene geen vergunning tonen voor het gebruik van zijn gevarenlichten, dan wel een aanvraag/verlening voor de demonstratie laten zien en/of de naam van de collega noemen die hem toestemming zou hebben gegeven voor het rijden op de snelweg met zijn gevarenlichten aan.
Daarnaast heeft de betrokkene het in zijn beroep over dat zijn landgenoot geen bekeuring heeft gekregen voor ditzelfde feit en wel had uitgevoerd. Echter, is dit mij niet bekend bij mij, mijn collega heeft dat afgehandeld.
Gezien bovenstaande omstandigheden en de gevaarzetting daarbij, heb ik de keuze gemaakt om deze boete te schrijven.”
6. Daarnaast bevindt zich in het dossier een getuigenverklaring van de heer [de getuige] , niet gedateerd, die – kort samengevat - verklaart dat hij ook deelnam aan de rally en ervan overtuigd is dat de deelnemende voertuigen zijn geïnstrueerd om gebruik te maken van hun knipperlichten op de snelweg ten behoeve van de verkeersveiligheid. Verder verklaart hij dat deze werkwijze werd ondersteund met de bewering dat het protest was aangevraagd en goedgekeurd door de politie van de gemeente Haaglanden. Ook is het hem onduidelijk waarom alleen de betrokkene is staande gehouden en aan hem een sanctie is opgelegd.
7. Bij het verweerschrift heeft de advocaat-generaal een e-mailwisseling gevoegd waarin aan de politie is gevraagd of de organisator toestemming heeft gekregen van de politie voor de rijdende demonstratie. Ook is gevraagd of in overleg met de politie was afgesproken dat alle voertuigen met gevarenlichten zouden rijden. Hierop is geen reactie gekomen.
8. De betrokkene wijst er terecht op dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met de door hem ingebrachte getuigenverklaring. Het hof overweegt dat de kantonrechter ten onrechte niet op deze grond van de betrokkene is ingegaan, zodat de beslissing van de kantonrechter op dit punt lijdt aan een motiveringsgebrek.
9. Op basis van de gegevens in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal kan niet worden vastgesteld dat, zoals de betrokkene kennelijk stelt, een mannelijke ambtenaar hem heeft staande gehouden en een vrouwelijke ambtenaar bezig was met een landgenoot uit België. In het zaakoverzicht wordt één ambtenaar vermeld die eveneens voornoemd proces-verbaal heeft ondertekend. Hieruit kan worden afgeleid dat deze ambtenaar de betrokkene heeft zien rijden op de snelweg met zijn gevarenlichten aan en hiermee gevaar veroorzaakte. De meest recente verklaring van de ambtenaar is niet tegenstrijdig met de voorgaande verklaring, maar gaat uitgebreider in op hetgeen de ambtenaar ten tijde van de gedraging heeft waargenomen. De stelling van de betrokkene dat aan hem de sanctie is opgelegd, omdat hij zou zijn weggereden van de groep voertuigen volgt het hof niet. Dit blijkt namelijk niet uit de verklaringen die de ambtenaar heeft afgelegd. De grond treft dan ook geen doel.
10. Hoewel de gronden van de betrokkene zijn onderbouwd door middel van bewijsstukken kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen van de ambtenaar. Het hof wil wel aannemen dat de betrokkene voorafgaand aan de rally door de organisatie is geïnstrueerd om gebruik te maken van zijn gevarenlichten, maar niet duidelijk is of hiervoor daadwerkelijk toestemming is verleend. Doch ook indien moet worden vastgesteld dat toestemming was verleend voor het gebruik van de waarschuwingslichten, moet het de betrokkene in redelijkheid duidelijk zijn geworden dat dit gebruik slechts was toegestaan zo lang hij met zijn auto deel bleef uitmaken van de protesterende groep voertuigen. Uit de verklaring van de betrokkene zelf volgt echter dat hij door omstandigheden de aansluiting met deze groep had verloren nadat hij enige tijd aan de kant van de weg had stilgestaan. Op het moment dat hij zijn weg vervolgde, maakte hij geen deel meer uit van een protestoptocht en was hij als zodanig niet voor achteropkomend verkeer herkenbaar. Nu de betrokkene de gedraging verder niet betwist, is het hof van oordeel dat op grond van de verklaringen in het zaakoverzicht en voormeld proces-verbaal de gedraging kan worden vastgesteld. Vervolgens dient het hof te beoordelen of de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht aanleiding geven tot matiging van het bedrag van de sanctie.
11. Voor zover de betrokkene een beroep doet op overmacht overweegt het hof als volgt. Aan een dergelijk beroep dient tenminste de eis te worden gesteld dat feiten of omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de betrokkene onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Aan die eis is niet voldaan. Het hof wil wel aannemen dat de betrokkene door slechte weersomstandigheden en een slecht wegdek een gevaarlijke verkeerssituatie heeft weten te voorkomen, maar dit neemt niet weg dat de betrokkene geen gebruik mocht maken van zijn gevarenlichten op de snelweg. Van een overmacht situatie kan derhalve niet worden gesproken. Ook de omstandigheid dat de betrokkene niet harder dan 80 kilometer per uur kon rijden, omdat aan zijn voertuig een vlag was bevestigd, doet aan het voorgaande niet af.
12. De betrokkene voert verder aan dat aan een andere deelnemer van de rally geen sanctie is opgelegd. Het hof vat dit verweer zo op dat sprake is van willekeur. Dit verweer wordt verworpen. Ambtenaren beschikken over een discretionaire bevoegdheid op grond waarvan zij een zekere vrijheid hebben om te bepalen of zij in een concreet geval al dan niet een sanctie opleggen. De enkele omstandigheid dat mogelijk aan een andere bestuurder – om welke reden dan ook – geen sanctie is opgelegd, brengt niet mee dat de betrokkene, die de gedraging heeft verricht, daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Het is het hof daarnaast niet gebleken dat de ambtenaar zijn bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie op welke wijze dan ook heeft misbruikt.
Het hof wijst in dit licht ook nog erop dat van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene alleen sprake is als zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 8 oktober 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is in dit geval niet gebleken. 13. Het hof zal, gelet op wat hierboven onder 8 is overwogen, de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.