ECLI:NL:GHARL:2025:6744

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
Wahv 200.351.506/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie vasthouden mobiel elektronisch apparaat tijdens rijden

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €380,- wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 10 december 2023 in Den Haag.

Hij voerde aan dat hij geen mobiele telefoon vasthield maar een kam gebruikte om zijn baard te verzorgen. De ambtenaar verklaarde dat hij onbelemmerd zicht had en de telefoon had waargenomen, maar gaf geen duidelijke toelichting over zijn zichtpositie gezien de bestelbus geen achterramen had.

Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar onvoldoende was om met voldoende zekerheid vast te stellen dat de betrokkene een mobiele telefoon vasthield. De consistentie en vasthoudendheid van de betrokkene, de foto van de haarborstel en de onduidelijkheid over het zicht van de ambtenaar leidden tot twijfel.

Daarom werd de sanctiebeschikking vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.506/01
CJIB-nummer
: 262876396
Uitspraak d.d.
: 30 oktober 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 11 december 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 december 2023 om 15:42 uur op de Hoefkade in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat hij geen mobiele telefoon, maar een kam vasthield op het moment dat de ambtenaar zijn waarneming deed. Deze kam gebruikte hij om zijn baard te verzorgen. De ambtenaar fietste achter de betrokkene en had hierdoor geen duidelijk zicht op wat de betrokkene vasthield. De betrokkene reed namelijk in een bestelbus zonder achterramen. Hij was daarom alleen zichtbaar door de (voorste) zijramen en zat op een relatief hoge positie. De ambtenaar vroeg de betrokkene of hij zijn mobiele telefoon mocht zien, waarop de betrokkene de mobiele telefoon uit zijn broekzak heeft laten zien. De ambtenaar schreef vervolgens op hoe de mobiele telefoon eruit zag. De betrokkene heeft bij de staandehouding uitgelegd dat hij een kam in zijn hand had en niets anders. De ambtenaar heeft niet de moeite genomen om zijn verhaal serieus te toetsen. Er is geen bewijs dat de betrokkene daadwerkelijk aan het bellen was. De betrokkene heeft de ambtenaar gevraagd of hij kon zweren dat hij een mobiele telefoon in handen hield. De agent weigerde dit, wat bij de betrokkene de twijfel over de juistheid van de bewering van de ambtenaar versterkt.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een telefoon met de rechterhand, ter hoogte van het stuur vasthield. Ik zag telefoon in rechterhand. Tijdens mijn waarneming heb ik duidelijk en onbelemmerd in het voertuig en naar het mobiel elektronisch apparaat kunnen kijken. Bij de staandehouding zag ik dat het een Okido telefoon zwart met rode kleur op hoes betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden.
Verklaring betrokkene: Ik was niet aan het bellen.”
5. Het dossier bevat daarnaast een aanvullend proces-verbaal van 9 mei 2025. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:
“Op 10 december 2023 om 15:42 uur had ik direct en onbelemmerd zicht in het voertuig. Ik zag dat de bestuurder van dit voertuig een mobiele telefoon in zijn handen had tijdens het rijden. Verbalisant weet het verschil tussen een kam en een telefoon. Verbalisant is in staat om het verschil aan de uiterlijke kenmerken van een kam en een telefoon te onderscheiden van elkaar. Het vasthouden van een mobiele telefoon is al voldoende voor de overtreding of daar nu mee gebeld wordt op dat moment of niet. Verbalisant gaat niet zweren op een aanvraag daartoe van betrokkene.”
6. Het hof ziet in wat de betrokkene consistent en vasthoudend aanvoert reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. De betrokkene heeft al in administratief beroep verklaard dat hij geen mobiele telefoon vasthield, maar een kam. Daarbij heeft hij een foto overgelegd van een volledig zwartkleurige platte haarborstel met een rechthoekige borstelkop. De ambtenaar verklaart dat hij duidelijk en onbelemmerd zicht had in het voertuig, maar geeft, terwijl de betrokkene aanvoert dat de ambtenaar achter het voertuig van de betrokkene fietste, de bestelbus geen achterramen heeft en de ambtenaar alleen zicht kon hebben door de (voorste) zijramen, niet aan van waar en hoe hij zicht had op de bestuurder (tijdens het rijden). Ook op andere punten die de betrokkene aanvoert, namelijk dat de ambtenaar vroeg of hij zijn mobiele telefoon mocht zien, dat de betrokkene daarop de telefoon uit zijn broekzak pakte en de ambtenaar vervolgens de kenmerken van die telefoon heeft genoteerd alsmede dat de betrokkene bij staandehouding al heeft aangegeven dat hij niet een mobiele telefoon, maar een kam vasthield, gaat de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal niet in. De verklaring van de ambtenaar is, in het licht van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, onvoldoende om de gedraging vast te kunnen stellen. Daarbij betrekt het hof ook dat de haarborstel die de betrokkene aangeeft te hebben vastgehouden en een mobiele telefoon weliswaar verschillende uiterlijke kenmerken hebben, maar dat die verschillen, gezien de kleur, vorm en het formaat niet zo groot zijn dat de haarborstel niet voor een mobiele telefoon kan zijn aangezien.
7. Bij deze stand van zaken kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Dit leidt tot de hierna vermelde beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.