ECLI:NL:GHARL:2025:6682

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
Wahv 200.352.531/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a WahvAlgemene termijnenwetBesluit 8 maart 2022, nr. 2022000289
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beschikking kantonrechter inzake verzet dwangbevel Wahv

De betrokkene stelde verzet in tegen een dwangbevel op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het verzet ongegrond. De betrokkene stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze beschikking.

Hoewel het hof het hoger beroep tijdig achtte gelet op een e-mail van de betrokkene, stelde deze geen zekerheid en betaalde geen griffierecht, verplichtingen die volgens artikel 26a, tweede en derde lid, Wahv noodzakelijk zijn voor ontvankelijkheid. De betrokkene voerde aan dat hij geen contract met de overheid wilde aangaan en betwijfelde de authenticiteit van de aanmaningsbrieven, maar dit weerlegt het hof.

Het hof concludeert dat het verzuim van zekerheidstelling en griffierecht volledig aan de betrokkene is toe te rekenen. Daarom verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Er volgt geen inhoudelijke beoordeling van het verzet tegen het dwangbevel.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid en niet betalen van griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.531/01
CJIB-nummer
: 255605316
Uitspraak d.d.
: 28 oktober 2025
Beschikkingop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 3 december 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beschikking van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een op
28 mei 2024 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht en heeft daarbij verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om een proceskostenvergoeding.
De Minister heeft daarop gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 oktober 2025. De betrokkene is niet verschenen.
De Minister is vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2]

De beoordeling

1. De vertegenwoordiger van de Minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld.
2. Op grond van het bepaalde in artikel 26a, eerste lid, van de Wahv dient het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter te worden ingesteld binnen twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking.
3. De beschikking van de kantonrechter is op 11 december 2024 aan de betrokkene verzonden.
De beroepstermijn eindigde - met inachtneming van de Algemene termijnenwet - op maandag
30 december 2024, nu vrijdag 27 december 2024, bij het Besluit van 8 maart 2022, nr. 2022000289, is gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag. De betrokkene heeft op 28 december 2024 per
e-mail aan de rechtbank medegedeeld dat een hoger beroep onvermijdelijk is. Hierbij is verzocht om de uiterste beroepstermijn te verlengen. Gelet op de inhoud van de e-mail houdt het hof het ervoor dat de betrokkene, weliswaar niet in de juiste vorm, hoger beroep heeft willen instellen tegen de beschikking van de kantonrechter. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
4.
Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen een beschikking als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en na betaling van het verschuldigde griffierecht.
5. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank, gedateerd 17 januari 2025 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin de betrokkene wordt gewezen op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van die mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag van € 680,81 op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) te Leeuwarden. Daarnaast is de betrokkene in deze brief mededeling gedaan van de verplichting om na verzending van de nota griffierecht te betalen. Daarbij is vermeld dat de kantonrechter heeft bepaald dat de betrokkene voor alle zeven zaken samen een bedrag van € 349,- aan griffierecht verschuldigd is. De betrokkene is er in de brief op gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet tijdig aan deze verplichtingen wordt voldaan.
6. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat voormelde brief aan de betrokkene is verzonden en ook door hem is ontvangen. Uit een brief van de griffier van de rechtbank van 18 maart 2025 aan de griffier van het hof blijkt dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld en ook het griffierecht niet heeft betaald. De betrokkene heeft ook niet aangegeven dat hij niet in staat is om (volledig) zekerheid te stellen en het griffierecht te betalen.
7. Het hof begrijpt hetgeen de betrokkene in dit verband aanvoert aldus dat de betrokkene geen zekerheidstelling en griffierecht wil betalen omdat dat betekent dat hij een contract zou aangaan met de overheid en dat wil de betrokkene niet. Verder zijn de brieven van 17 januari 2025 gedateerd hetgeen als valsheid in geschrift kan worden aangemerkt, aangezien de uitspraken wel met
23 januari 2025 gestempeld zijn als datum van toezending. De brieven zijn niet persoonlijk ondertekend en alle bijlagen op blad 2 refereren aan een niet relevant CJIB-nummer 244650457.
8. Zekerheidstelling en het betalen van griffierecht zijn voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep bij het hof. Het betreft hier verplichtingen voor een ieder die hoger beroep instelt op de voet van artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv. Het hof stelt vast dat in de kop van de brief van 17 januari 2025 een juist CJIB-nummer is vermeld. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, betreffen geen feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het verzuim om het bedrag van de zekerheidstelling en het griffierecht te betalen de betrokkene niet kan worden toegerekend.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat het hof niet kan toekomen aan beoordeling van de beschikking van de kantonrechter en het verzet tegen het dwangbevel. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.