De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder over de toevertrouwing en zorgregeling van hun minderjarige kind, geboren in 2025. De voorzieningenrechter had de minderjarige aan de moeder toevertrouwd en een omgangsregeling met de vader vastgesteld, waarbij het kind bij oma verblijft. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om voorlopige toevertrouwing aan hem of een alternatieve zorgregeling.
De moeder kwam eveneens in hoger beroep tegen het ontbreken van een dwangsom en machtiging van de sterke arm bij niet-nakoming door de vader. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof was ook een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig, die een spoedonderzoek aankondigde en het belang van overdracht aan de moeder benadrukte.
Na overleg tijdens een schorsing bereikten de ouders een akkoord over de overdracht van de minderjarige aan de moeder en de uitvoering van de omgangsregeling zoals vastgesteld door de voorzieningenrechter. De moeder trok haar verzoek om dwangsom in en de proceskosten worden gecompenseerd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, machtigt de moeder tot tenuitvoerlegging met de sterke arm en bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.