Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:6585

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
200.352.849
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging wijziging zorgregeling en kinderalimentatie na afwijzing vader

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, dat bij de moeder woont. De vader verzocht bij de rechtbank om wijziging van de zorgregeling en om nihilstelling van de kinderalimentatie, maar deze verzoeken werden afgewezen.

In hoger beroep betoogt de vader dat de zorgregeling moet worden uitgebreid en dat de kinderalimentatie moet worden stopgezet. Het hof oordeelt dat er geen zodanige wijziging van omstandigheden is die een herziening van de zorgregeling rechtvaardigt. De vader heeft onvoldoende onderbouwd dat hij het solo parallel ouderschapstraject heeft gevolgd en de communicatie tussen ouders verloopt nog steeds moeizaam.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelt het hof vast dat de vader onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn financiële situatie en draagkracht. Ondanks zijn stellingen over gebrek aan inkomen heeft hij geen documenten overlegd die dit ondersteunen. Ook heeft hij bijna de gehele alimentatie voldaan, zonder duidelijkheid te geven over de herkomst van de middelen.

Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 december 2024, die de zorgregeling en kinderalimentatie ongewijzigd liet.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling en nihilstelling van de kinderalimentatie af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.849
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577813)
beschikking van 23 oktober 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.L.J. Leijendekker,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.J.E.M. Wielinga-van Dillen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 maart 2025;
- het verweerschrift.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 18 september 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2019 (hierna: [de minderjarige] ) over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 15 juli 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de vader met ingang van 4 april 2022 een bedrag van € 875,- per maand aan de moeder dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [de minderjarige] .
3.3
Bij beschikking van 24 februari 2023 heeft de rechtbank, voor zover van belang, een zorgregeling bepaald waarbij [de minderjarige] – totdat zij naar school gaat – bij de vader verblijft:
- iedere dinsdagmiddag van 14.30 uur tot 19.00 uur;
- iedere vrijdag van 8.00 uur tot 19.00 uur;
- in de even weekenden van zaterdagochtend 9.30 uur tot zondagavond 19.00 uur.
Vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat, wijzigt de eindtijd van 19.00 uur naar 18.30 uur.
Verder is er een feestdagenregeling vastgesteld.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] en de kinderalimentatie.
Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de vader tot wijziging van de zorgregeling en tot nihilstelling van de kinderalimentatie, afgewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De eerste grief ziet op de zorgregeling en de tweede grief ziet op de kinderalimentatie.
De vader verzoekt het hof – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de verzoeken van de man – als geformuleerd in zijn verzoekschrift bij de rechtbank – worden toegewezen voor wat betreft de nihilstelling van de kinderalimentatie en de uitbreiding van de zorgregeling, kosten rechtens.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
5.1
Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de zorgregeling wijzigen op de grond dat na die beslissing de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wijziging van omstandigheden
5.2
Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een zodanige wijziging van omstandigheden dat een hernieuwde beoordeling van de zorgregeling nodig is.
Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vader dat hij het traject solo parallel ouderschap heeft gevolgd aangezien hij die stelling, bij gemotiveerde betwisting door de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd. Het lukt de ouders nog steeds niet constructief te overleggen over [de minderjarige] en de vader laat de communicatie veelal nog via [de minderjarige] lopen. Verder is er nog steeds geen zicht op de (thuis)situatie van de vader.
De huidige situatie is niet anders dan die ten tijde van de vaststelling van de zorgregeling begin februari 2023, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld. Het enkele tijdsverloop vormt, in tegenstelling tot wat de vader aanvoert, geen wijziging van omstandigheden. Het hof volgt hierbij ook het advies van de raad om de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft de zorgregeling.
Raadsonderzoek
5.3
Op de mondelinge behandeling heeft de vader (subsidiair) verzocht een onderzoek door de raad te gelasten. Het hof wijst dit verzoek af, omdat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht een beslissing te kunnen nemen. Het hof ziet – net als de raad – geen noodzaak een nader onderzoek te gelasten.
Kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden
5.4
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.5
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vader, bij gemotiveerde betwisting door de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde kinderalimentatie te betalen. De vader stelt geen inkomen of vermogen te hebben, maar hij heeft het hof niet laten zien waarvan hij leeft. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn stellingen te onderbouwen met stukken, zoals bankafschriften en een verklaring van zijn ouders over de beweerdelijke toelage die hij maandelijks zou krijgen. Dat hij dit niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico; hij heeft genoeg mogelijkheden gehad om dit te doen. Ook de rechtbank heeft dit immers al overwogen in de beschikking.
Daarbij komt dat de vader bijna de gehele kinderalimentatie heeft voldaan, terwijl ook over de herkomst van de daarvoor benodigde middelen geen duidelijkheid wordt gegeven. Ten slotte kon of wilde de man geen duidelijk antwoord geven op vragen van het hof over zijn dagbesteding.
5.6
Op grond van het vorenstaande zal het hof ook het verzoek van de vader tot nihilstelling van de kinderalimentatie afwijzen en de bestreden beschikking op dat punt eveneens bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 december 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, M.H.F. van Vugt en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.