Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
- de echtscheiding uitgesproken;
- bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft; en
- een contactregeling vastgesteld.
- de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de huurachterstand;
- de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 2.894,81 in verband met haar regresrecht voor de achterstallige huur en dat uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen; en
- de verzoeken voor het overige afgewezen.
4.De omvang van het geschil
- de hoogte van de huurachterstand vanaf november 2022 tot en met juli 2023 vast te stellen op € 3.376,50;
- de hoogte van de schuld wegens wegenbelasting vast te stellen op € 1.103 en vast te stellen dat de vrouw aan de man de helft daarvan, ofwel € 551,50 moet voldoen;
- de volledige schulden aan de [naam1] , [naam2] en aan de ouders van de man aan te merken als kosten van de gewone gang van de huishouding en vast te stellen dat partijen hier hoofdelijk voor aansprakelijk zijn en in de interne verhouding ieder van hen de helft dient te dragen;
- de feitelijke huurachterstand aan de ouders vast te stellen op € 3.376,50 en deze primair geheel toe te rekenen aan de vrouw en de regresvordering van de vrouw af te wijzen, dan wel subsidiair vast te stellen dat partijen deze schuld in de interne verhouding ieder bij helfte dienen te dragen, waarbij de man aan de vrouw € 1.866,30 dient te voldoen,