Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep inclusief grieven en een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv Pro;
- de conclusie van antwoord in het incident.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen waren gehuwd in Iran en spraken een bruidsgave af van 501 Bahar Azadi gouden munten. Na hun echtscheiding in 2020 werd de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. Later werd de geïntimeerde bij verstek in Iran veroordeeld tot betaling van 450 gouden munten. In de Nederlandse procedure vorderen partijen betaling van bedragen voortvloeiend uit deze verdeling, waarbij de rechtbank een deel van de vorderingen toewijst en de appellante veroordeelt tot betaling van €59.705,05.
De appellante verzoekt in hoger beroep om schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis, stellende dat de rechtbank onterecht geen gezag toekent aan het Iraanse vonnis en de wisselkoers verkeerd toepast. Het hof oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke misslag en dat deze inhoudelijke kwesties in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld.
Verder stelt de appellante dat zij door de tenuitvoerlegging in ernstige financiële problemen komt, maar het hof vindt onvoldoende bewijs van een noodsituatie. Het belang van de geïntimeerde bij onmiddellijke betaling weegt zwaarder dan het belang van de appellante bij schorsing. De incidentele vordering wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet in de huidige stand.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet.