ECLI:NL:GHARL:2025:6272

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
10 oktober 2025
Zaaknummer
Wahv 200.355.489/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 13b WahvWet herwaardering proceskostenvergoedingenBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding in hoger beroep verkeersboete zonder bijzonder geval

De betrokkene was in beroep gegaan tegen een administratieve sanctie van €110,- wegens het niet geven van richtingaanwijzer bij het wisselen van rijstrook. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. In hoger beroep stelde de gemachtigde van de betrokkene een proceskostenvergoeding te vorderen.

De advocaat-generaal vernietigde de oorspronkelijke beschikking, waarna de betrokkene het hoger beroep introk. Het hof volgde het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, waarin werd bepaald dat de factor genoemd in artikel 13a, tweede lid, Wahv alleen toegepast wordt tenzij sprake is van een bijzonder geval. De gemachtigde kon niet aantonen dat zijn bedrijfsmodel aan de criteria voor een bijzonder geval voldeed.

Het hof oordeelde dat geen sprake was van strijd met het beginsel van fair play en dat de standaard wegingsfactor voor Mulderzaken van toepassing bleef. De proceskostenvergoeding werd berekend conform de wettelijke voorschriften en toegekend aan de betrokkene tot een bedrag van €1.108,81.

Uitkomst: De advocaat-generaal wordt veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van €1.108,81.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.355.489/01
CJIB-nummer
: 257878268
Uitspraak d.d.
: 10 oktober 2025
Beslissingop het verzoek om een proceskostenvergoeding ex artikel 13b van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) van

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter in de rechtbank Den Haag heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie op 25 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Bij brief van 12 augustus 2025 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat de inleidende beschikking wordt vernietigd. De betrokkene en de gemachtigde zijn daarover geïnformeerd.
De gemachtigde van de betrokkene heeft bij brief van 15 augustus 2025 het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht om een proceskostenvergoeding.
De griffier van het hof heeft de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 14 juli 2025 in de gelegenheid gesteld te reageren op een arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025.
Bij e-mail van 5 september 2025 heeft de gemachtigde van de betrokkene gebruik gemaakt van de gelegenheid te reageren op de brief van de griffier van het hof.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De gemachtigde van de betrokkene heeft daarop een reactie gegeven.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd van € 110,- voor de gedraging “bij wisselen van rijstrook geen teken met richtingaanwijzer geven”. De advocaat-generaal heeft besloten deze beschikking te vernietigen. De betrokkene heeft daarmee bereikt wat met het hoger beroep werd beoogd en het hoger beroep ingetrokken.
2. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding voor de procedure in hoger beroep overweegt het hof het volgende.
3. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2025:985).
4. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
5. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat, gelet op deze afbakening van de werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.
6. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien het arrest van de Hoge Raad is gewezen nadat de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde door de griffier van het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken. De gemachtigde heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. De gemachtigde heeft daarop een reactie gegeven.
7. De gemachtigde heeft in dit verband aangevoerd dat de procedures door de gemachtigde op zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen in redelijkheid de gemaakte kosten niet ver overtreffen. De gemachtigde verricht de juridische werkzaamheden alleen en is daarbij persoonlijk benaderbaar. Verder wordt er een selectie aan de poort gehanteerd en inhoudelijk maatwerk verricht. Effectief is sprake van een wegingsfactor van 1/8. Deze doet geen recht aan de werkbelasting en de daarmee gepaard gaande kosten. De verhouding tussen de gemaakte kosten en de vergoedingen in algemene zin is onbekend. Er wordt geen tijd geregistreerd voor de behandeling van Mulderzaken. In redelijkheid dient (hooguit) een effectieve factor van 0,25 te worden gehanteerd. Dit kan door een ‘standaardwegingsfactor’ 1,0 (bij materiele zaken) te hanteren. Daarbij merkt de gemachtigde op dat sancties de laatste jaren dusdanig zijn verhoogd dat er niet meer gesproken kan worden van een licht gewicht. Het gewicht zou gemiddeld moeten zijn. Veel Muldersancties zijn door de jaren duurder geworden dan boetes in strafzaken. Naar aanleiding van de reactie van de advocaat-generaal voert de gemachtigde nog aan dat geen sprake is van fair play. Er wordt inzicht verlangd in gegevens, waarvan tot het moment van het arrest geen reden of noodzaak toe was om ook maar iets bij te houden. Het oneerlijke van de litigieuze systematiek is dat een mogelijke/eventuele overcompensatie direct leidt tot een te verwachten ondercompensatie.
8. De gemachtigde stelt dat niet wordt voldaan aan het derde in het arrest genoemde kenmerk. Bij de beoordeling of het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet voldoet aan het derde in het arrest genoemde kenmerk, stelt het hof voorop dat het hierbij niet specifiek gaat om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Voor de beoordeling of het bedrijfsmodel voldoet aan het derde kenmerk van vergaande overdekking moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.4. en 3.4.5.).
9. Aangezien het door de gemachtigde te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor kennelijk niet alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat diens bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft (r.o. 3.4.6. van het onder 8. genoemde arrest).
10. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde niet geslaagd in het leveren van bewijs dat zijn bedrijfsmodel niet eruit bestaat dat procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De gemachtigde heeft namelijk geen enkel cijfermatig inzicht in zijn bedrijfsmodel gegeven. De gemachtigde stelt dat hij de juridische werkzaamheden alleen verricht, daarbij persoonlijke benaderbaar is, er een selectie aan de poort wordt gehanteerd en er inhoudelijk maatwerk wordt verricht, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat het totale bedrag van de proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de in redelijkheid gemaakte kosten niet ver overtreft.
11. Dat de gemachtigde niet in staat is dit inzicht te verlenen in zijn bedrijfsmodel, omdat er eerder geen aanleiding was gegevens bij te houden, acht het hof niet aannemelijk. In ieder geval kan en mag van een professioneel rechtsbijstandverlener worden verwacht dat hij inzicht kan geven in aantallen Mulderzaken die hij heeft behandeld en het totaal van de daarin toegekende proceskostenvergoedingen. De gemachtigde is echter met geen enkele cijfermatige onderbouwing van zijn standpunt gekomen. Van handelen in strijd met het beginsel van fair play is derhalve geen sprake.
12. De omstandigheid dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van toepassing is, brengt niet mee dat het gewicht van de zaak in Mulderzaken een andere wordt. Het hof ziet hierin geen aanleiding zijn vaste rechtspraak op dit punt te wijzigen.
13. Bij deze stand van zaken is niet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat het geval van de betrokkene met het oog op het vaststellen van een proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. De vergoeding van de proceskosten zal daarom worden berekend met inachtneming van de Whpkv.
14. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting op het verzoek van de griffier van het hof dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
15. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.108,81 (= (1,5 x € 647,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5) + (1,5 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.108,81.
Deze beslissing is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.