Belanghebbende stelde bezwaar tegen WOZ-beschikkingen, maar het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemachtigde geen geldige machtiging overlegd had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende een kleine vergoeding voor immateriële schade toe. Belanghebbende ging in hoger beroep.
Het hof behandelde de zaak binnen een cluster van vergelijkbare procedures en bevestigde dat de gemachtigde onvoldoende gemachtigd was om het bezwaar in te dienen. Het hof oordeelde dat het verzuim in de bezwaarfase niet hersteld kon worden door een latere machtiging in hoger beroep. Hierdoor was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Verder werd het verzoek om een hogere vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg afgewezen, omdat de termijn pas aanving bij ontvangst van het beroepschrift. Ook het verzoek om vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd afgewezen, omdat de overschrijding minder dan twaalf maanden bedroeg en het financiële belang niet aannemelijk was.
Ten slotte wees het hof het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af, aangezien het hoger beroep ongegrond werd verklaard. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.