Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:6184

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
200.357.892
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zorgregeling en vervoer kinderen tijdens zwangerschap

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de voorzieningenrechter die haar veroordeelde tot nakoming van een zorgregeling met de vader, inclusief het brengen en halen van de kinderen en een dwangsom bij niet-nakoming.

De kinderen wonen bij de moeder en staan sinds augustus 2025 onder toezicht van Jeugdbescherming. De zorgregeling bepaalt dat de kinderen om de week bij de vader verblijven met vaste overdrachtstijden op het station in de woonplaats van de vader. De vader vorderde nakoming van deze regeling en een dwangsom.

Het hof constateert dat de vader zelf de zorgregeling niet consequent is nagekomen en dat de moeder door haar zwangerschap en gezondheidsklachten niet in staat is de kinderen te brengen en halen. Het hof wijzigt daarom de regeling tijdelijk zodat de vader het vervoer op zich neemt gedurende de zwangerschap en zes weken na de bevalling.

De opgelegde dwangsom wordt opgeheven omdat de moeder zich inspant en de vader geen belang meer heeft bij deze prikkel. De rest van het vonnis wordt bekrachtigd en de kosten worden ieder voor eigen rekening gelaten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling tijdelijk zodat de vader het vervoer van de kinderen verzorgt tijdens de zwangerschap en het herstel, en heft de dwangsom op.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.892
zaaknummer rechtbank Gelderland 451736
arrest in kort geding van 7 oktober 2025
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen
en
[verweerder] (de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. K.R.E. Blanken (onttrokken)

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 8 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 29 september 2025 is gehouden.
1.3.
De vader is in deze procedure niet verschenen.

2.De kern van de zaak

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 te [plaats1] (Syrië), en
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2017 te [woonplaats2] .
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.
2.2.
Sinds 29 augustus 2025 staan de kinderen onder toezicht van Jeugdbescherming Gelderland tot 29 augustus 2026.
2.3.
Bij beschikking van 20 maart 2025 heeft de rechtbank toestemming aan de moeder gegeven om met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats1] en de volgende
voorlopigezorgregeling vastgesteld:
- de kinderen zijn met ingang van zaterdag 29 maart 2025 bij de vader:
o om de week op zaterdag van 13.00 uur tot 19.00 uur; en
o de daaropvolgende zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
- waarbij de moeder de kinderen op de betreffende zaterdagen om 13.00 uur en zondagen om 10.00 uur naar het treinstation in [woonplaats2] brengt en hen daar aan de vader overdraagt, waarna de vader de kinderen op de betreffende zaterdagen om 19.00 uur en zondagen om 17.00 uur naar het station in [woonplaats2] brengt en hen daar aan de moeder overdraagt.
2.4.
De vader heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat:
  • de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 20 maart 2025;
  • een dwangsom wordt opgelegd van € 250,- per dag dat de moeder deze zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-; en
  • de moeder wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen. De voorzieningenrechter heeft ook bepaald dat als de vader vijf keer niet op de voor overdracht bepaalde plek is, de moeder niet langer verplicht is de kinderen daar te brengen.
2.6.
In hoger beroep vordert de moeder het vonnis van de voorzieningenrechter te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
  • de vordering van de vader om de zorgregeling na te komen op straffe van een dwangsom alsnog af te wijzen; en
  • te bepalen dat de vader de kinderen tijdelijk haalt en brengt in [woonplaats1] voor de duur van haar zwangerschap en het herstel van de bevalling dan wel een beslissing te nemen als het hof juist oordeelt.
2.7.
Het hof zal beslissen dat de zorgregeling moet worden nagekomen en dat de vader tijdens de zwangerschap van de moeder en het herstel van de bevalling de kinderen moet ophalen bij de moeder en naar haar moet terugbrengen. Daarnaast is er op dit moment geen reden meer om de opgelegde dwangsom in stand te houden.
Dat betekent dat de beslissing van de voorzieningenrechter deels in stand blijft en dat het hof deels anders beslist.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Spoedeisend belang
3.1.
In deze zaak gaat het om een vordering tot nakoming van een zorgregeling onder oplegging van een dwangsom. Het hof is van oordeel dat sprake is van een spoedeisende zaak waarin de voorzieningenrechter bevoegd is een onmiddellijke voorziening bij voorraad te geven.
Beoordeling
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat de vader de kinderen sinds de beslissing van 8 juli 2025 ongeveer vier keer heeft gezien. De moeder heeft de kinderen tijdens die contactmomenten gebracht en gehaald. De vader is de hele maand augustus niet in Nederland geweest en heeft die maand de kinderen niet gezien. De moeder zoekt geregeld contact met de vader voor de uitvoering van de zorgregeling, maar de vader reageert op de berichten van de moeder erg negatief. Sinds 14 september 2025 is er helemaal geen contact meer geweest tussen de vader en de kinderen, nadat [de minderjarige2] heeft gezegd dat de huisgenoot van de vader op een niet prettige manier aan haar heeft gezeten.
3.3.
Het hof leidt hieruit af dat de vader, die gevraagd heeft de moeder te veroordelen de zorgregeling na te komen, zelf de vastgestelde zorgregeling bij herhaling niet is nagekomen. De moeder zegt nog steeds bereid te zijn de zorgregeling na te komen, maar kan door haar zwangerschap de kinderen niet zelf brengen naar en halen uit [woonplaats2] . De moeder heeft een lage bloeddruk en is daardoor snel duizelig. De moeder durft om die reden niet goed auto te rijden. Overleg met de vader is hierover volgens de moeder niet mogelijk, omdat de vader enkel wil vasthouden aan de vastgestelde voorlopige zorgregeling en de regeling over het brengen en halen. Het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de moeder zich wil inspannen om uitvoering te geven aan de vastgestelde zorgregeling, maar dat het vervoer van de kinderen voor haar door de zwangerschap moeizaam is. Het hof ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, voor zover deze ziet op het brengen en halen van de kinderen.
3.4.
Gelet op de zwangerschap van de moeder en de gezondheidsklachten die de moeder daardoor ondervindt, zal het hof bepalen dat de vader gedurende de zwangerschap van de moeder ende eerste zes weken na de bevalling van de moeder (keizersnede) het vervoer van de kinderen bij de uitvoering van de zorgregeling voor zijn rekening dient te nemen. Daarna zal de huidige regeling wat betreft het brengen en halen van de kinderen herleven.
Dwangsom
3.5.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de ouders in deze zaak over en weer stellen dat de ander de zorgregeling niet nakomt. Daardoor hadden de kinderen de vader sinds 29 maart 2025 niet meer gezien. Het hof overweegt dat uit de verklaringen van de moeder blijkt dat zij zich na het vonnis van 8 juli 2025 heeft ingespannen om uitvoering te geven aan de zorgregeling tussen de vader en de kinderen. Bovendien heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard hier nog steeds toe bereid te zijn. Het hof is van oordeel dat de vader onder deze omstandigheden niet langer belang heeft bij de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom. Het hof ziet daarom geen reden om de opgelegde dwangsom te handhaven als prikkel tot nakoming van de vastgestelde zorgregeling.
De conclusie
3.6.
Het hoger beroep slaagt. Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat deze procedure gaat over de kinderen van partijen en partijen ex-partners zijn.
3.7.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 8 juli 2025, voor zover de moeder daarin is veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking van 20 maart 2025, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het brengen en halen en de dwangsom;
4.2.
bepaalt dat de vader, bij het uitvoeren van de zorgregeling, gedurende de zwangerschap van de moeder en zes weken na de bevalling de kinderen ophaalt in en brengt naar [woonplaats1] , waarna de huidige regeling (waarbij de moeder de kinderen brengt naar en ophaalt in [woonplaats2] ) herleeft;
4.3.
wijst de vordering tot het opleggen van een dwangsom met ingang van vandaag af;
4.4.
verklaart de veroordelingen ten aanzien van het brengen en halen van de kinderen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en S. Kuijpers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.