De beoordeling
1. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding. De gemachtigde voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft toegepast voor de indiening van het beroepschrift bij de kantonrechter.
2. De kantonrechter heeft de wegingsfactor van 0,25 toegepast voor de indiening van het beroepschrift.
3. De betrokkene is met de wijziging van de feitcode en het sanctiebedrag inhoudelijk (gedeeltelijk) in het gelijkgesteld. De kantonrechter heeft terecht een proceskostenvergoeding toegekend. Met betrekking tot de hoogte daarvan overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is.
4. Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten. Daarbij dient te worden gekeken naar de aard van de zaak, waaronder begrepen het soort zaak, de omvang van het dossier en het onderwerp van geschil. Het gaat daarbij - met het oog op een uniforme en voorspelbare toepassing van het recht - om het gewicht van een zaak, zoals deze zich doorgaans voordoet. De meeste Mulderzaken zijn feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard. Dit komt tot uitdrukking in vorengenoemde vaste jurisprudentie in Mulderzaken.
5. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd waarom een wegingsfactor van 0,25 wordt toegepast. Uit de motivering van de kantonrechter blijkt niet waarom de onderhavige zaak zich onderscheidt van andere Mulderzaken, waarin de wegingsfactor 0,5 is. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt vast dat de beslissingen van de officier van justitie en de kantonrechter bekend zijn gemaakt na 31 december 2023. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding, overweegt het hof het volgende.
7. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2025:985). 8. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
9. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op deze afbakening van werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.
10. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien het arrest van de Hoge Raad is gewezen nadat de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde bij brief d.d. 14 juli 2025 door de griffier van het hof in de gelegenheid om gesteld om binnen vier weken te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken.
11. De gemachtigde voert aan dat het adviesbureau voldoet aan de eerste twee door de Hoge Raad geformuleerde criteria voor toepassing van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Wat betreft het derde criterium, merkt de gemachtigde het volgende op. Adviesbureau Skandara biedt naast rechtsbijstand in Mulderzaken ook andere diensten aan zoals het indienen van klachten bij bestuursorganen en het aanwenden van rechtsmiddelen tegen bestuurlijke boetes en naheffings- en navorderingsaanslagen. De administratie van het adviesbureau is niet ingericht om specifiek inzichtelijk te maken wat de opbrengsten en (toerekenbare) kosten zijn geweest in Mulderzaken. Gelet op het feit dat de gemachtigde er niet bedacht op hoefde te zijn dat de administratie zodanig moest worden ingericht dat kan worden voldaan aan het derde criterium, anderhalf jaar na inwerkingtreding van de Whpkv, is het niet redelijk om de Whpkv toe te passen in Mulderzaken die reeds aanhangig zijn gemaakt voor bekendmaking van het arrest van de Hoge Raad op 24 juni 2025. Dit maakt ook dat sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de Whpvk (tijdelijk) niet toegepast dient te worden. In samenhang met het beroep op bijzondere omstandigheden, wordt ook een beroep gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het fair play-beginsel waarborgt onder meer een redelijke bewijslastverdeling. Het achteraf en met strenge criteria neerleggen van bewijslast bij de gemachtigde, is in strijd met voornoemd beginsel. Verder wijst de gemachtigde op de in Mulderzaken gehanteerde wegingsfactor ‘licht’. In WOZ en bpm-zaken – waar de Whpkv voor in leven is geroepen – wordt deze lagere wegingsfactor niet toegepast. Bij toepassing van de Whpkv zou in Mulderzaken een lagere wegingsfactor én verminderingsfactor worden toepast. De gemachtigde verzoekt het hof dan ook om bij toepassing van de Whpkv de wegingsfactor vast te stellen op ‘gemiddeld’.
12. De gemachtigde erkent dat bij zijn bedrijfsmodel wordt voldaan aan de eerste twee in het arrest van de Hoge Raad genoemde kenmerken.
13. De enkele stelling dat de gemachtigde rechtsbijstand verleent in procedures van verschillende aard waardoor het voor hem niet inzichtelijk is wat de opbrengsten en toerekenbare kosten zijn voor zaken als de onderhavige, leidt niet tot het oordeel dat niet is voldaan aan het derde door de Hoge Raad genoemde kenmerk zodat geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Dat de Hoge Raad op 24 juni 2025 invulling heeft gegeven aan artikel 13a, tweede lid, van Wahv en dat sindsdien pas inzicht moet worden verstrekt in het bedrijfsmodel, doet hieraan niet af en betekent niet dat in strijd wordt gehandeld met het beginsel van fair play.
14. De omstandigheid dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van toepassing is, maakt niet dat het gewicht van de zaak in Mulderzaken een andere wordt.
15. Gelet op het voorgaande zal de vergoeding van de proceskosten worden berekend met inachtneming van de Whpkv.
16. Aan het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie, het horen door de officier van justitie, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal 4 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,-. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten wordt op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
17. De proceskosten gemaakt in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop dienen in totaal 1,5 punt te worden toegekend. Nu de betrokkene in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld met betrekking tot het toekennen van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast (vgl. het arrest van het hof van 16 mei 2024, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:3381). Het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten wordt op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. 18. Aldus zal het hof de advocaat-generaal in deze zaak veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 907,76 namelijk (2 x € 647,- x 0,5) + (2 x € 907,- x 0,5 x 0,25) + (1,5 x € 907,- x 0,25 x 0,1).