De moeder is in hoger beroep gekomen tegen twee beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland betreffende de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind en een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling SAVE. De kinderrechter had de uithuisplaatsing verlengd en de omgangsregeling met de moeder beperkt. Tijdens de regiezitting bij het hof is het hoger beroep tegen de beschikking van 10 maart 2025 ingetrokken door de moeder, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaarde voor dat deel.
Het hof heeft ambtshalve vastgesteld wie belanghebbenden zijn in de procedure: de vader is belanghebbende in de zaak over de uithuisplaatsing, maar niet in de zaak over de schriftelijke aanwijzing; de gezinshuisouders zijn in geen van beide zaken belanghebbenden. Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het inzagerecht van de vader heeft beperkt door niet alle stukken met hem te delen. De moeder had verzocht bepaalde privacygevoelige stukken niet aan de vader te verstrekken, maar het hof wijst dit af omdat er geen wettelijke grondslag is voor beperking van het inzagerecht van een belanghebbende.
Verder bepaalt het hof dat de advocaat van de moeder moet zorgen voor de completering van de stukken die aan de vader verstrekt worden. Het hof wijst het verzoek van de moeder om haar psycholoog te horen toe en zal hiervoor extra zittingsruimte reserveren. Tot slot zal het hof een nieuwe mondelinge behandeling plannen waarbij alle betrokken partijen worden opgeroepen en houdt het hof alle andere beslissingen aan.