ECLI:NL:GHARL:2025:5863

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
24 september 2025
Zaaknummer
Wahv 200.353.666/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 7:28 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk; proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke Mulderzaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees. Tijdens de procedure vernietigde de advocaat-generaal de inleidende beschikking, waardoor het hoger beroep feitelijk zijn doel verloor en niet-ontvankelijk werd verklaard.

Het geschil betrof de toepassing van artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bij de berekening van de proceskostenvergoeding in Mulderzaken. Het hof volgde het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, waarin werd bepaald dat de factor genoemd in dat artikel alleen buiten toepassing blijft bij bijzondere gevallen, waarbij de stelplicht en bewijslast bij de belanghebbende rusten.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat zijn bedrijfsmodel niet voldeed aan het derde kenmerk van het arrest van de Hoge Raad, namelijk dat de proceskostenvergoedingen de redelijke kosten ver overtreffen. Het hof oordeelde echter dat de aangevoerde argumenten onvoldoende inzicht gaven in het bedrijfsmodel en dat niet was aangetoond dat sprake was van een bijzonder geval.

Daarom werd de factor toegepast en de proceskostenvergoeding vastgesteld op €1.270,56. Het hof veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van deze kosten en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het doel van het hoger beroep was bereikt.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.270,56.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.353.666/01
CJIB-nummer
: 258917230
Uitspraak d.d.
: 24 september 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 10 maart 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Bij brief van 7 juli 2025 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat de inleidende beschikking wordt vernietigd en dat de betrokkene en de gemachtigde daarover zijn geïnformeerd.
De griffier van het hof heeft de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 14 juli 2025 in de gelegenheid gesteld een nadere reactie in te dienen. Van die gelegenheid is gebruik gemaakt.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd. Nu de advocaat-generaal heeft besloten deze beschikking te vernietigen, heeft de betrokkene bereikt wat met het hoger beroep werd beoogd. Daarom heeft de betrokkene geen belang meer bij een uitspraak van het hof op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding voor de procedure in hoger beroep overweegt het hof het volgende.
3. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2025:985).
4. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
5. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op deze afbakening van de werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.
6. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien het arrest van de Hoge Raad is gewezen nadat de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde door de griffier van het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken. De gemachtigde heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
7. De gemachtigde heeft in dat verband in de eerste plaats aangevoerd dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet van toepassing is op de vergoeding van de in administratief beroep gemaakte proceskosten, omdat de door de officier van justitie vast te stellen proceskostenvergoeding in administratief beroep haar grondslag vindt in artikel 7:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. In de tweede plaats heeft de gemachtigde aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. De gemachtigde erkent dat in zijn bedrijfsmodel bij de behandeling van Mulderzaken (vooralsnog) wordt voldaan aan de eerste twee kenmerken uit het arrest van de Hoge Raad. Aan het derde kenmerk wordt echter niet voldaan. De procedures worden namelijk niet op zodanige wijze gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoeding de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Iedere zaak wordt met de vereiste zorg beoordeeld en behandeld en in iedere zaak worden specifiek op de zaak toegespitste gronden aangevoerd. Weliswaar worden in beroepschriften soms passages hergebruikt, maar dit betekent niet dat sprake is van standaardteksten. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde het resultaat overgelegd van een vergelijking die hij heeft gemaakt van 907 willekeurig geselecteerde beroepschriften. Hieruit blijkt dat bij slechts een zeer klein deel sprake is van een vrijwel identieke tekst. Nu telkens sprake is van op de zaak toegespitste gronden die niet kunnen worden aangemerkt als gestandaardiseerde tekstblokken is geen sprake van een situatie waarvoor artikel 13a, tweede lid, van de Wahv is bedoeld en dient de vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing te blijven. In de derde plaats heeft de gemachtigde aangevoerd dat indien de vermenigvuldigingsfactor wel wordt toegepast het in de rede ligt om voortaan de wegingsfactor 1 (gewicht van de zaak = gemiddeld) te hanteren. Uit de toelichting op het amendement blijkt immers niet dat de indieners zich ervan bewust zijn geweest dat het hof al (behoorlijke) beperkingen heeft aangebracht op de hoogte van de proceskosten in Wahv-zaken, waaronder het (standaard) toepassen van de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht).
8. In deze zaak is de inleidende beschikking vóór 1 januari 2024 bekendgemaakt. Dat betekent dat, gelet op het overgangsrecht, de Whpkv toepassing mist op de proceskosten, gemaakt in administratief beroep. Hetgeen door de gemachtigde in dat verband is aangevoerd behoeft daarom geen bespreking.
9. De gemachtigde erkent dat bij zijn bedrijfsmodel wordt voldaan aan de eerste twee in het arrest van de Hoge Raad genoemde kenmerken.
10. Bij de beoordeling of het bedrijfsmodel van de gemachtigde ook voldoet aan het derde in het arrest genoemde kenmerk, stelt het hof voorop dat het hierbij niet specifiek gaat om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Voor de beoordeling of het bedrijfsmodel voldoet aan het derde kenmerk van vergaande overdekking moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.4 en 3.4.5.)
11. De gemachtigde heeft aangevoerd dat in iedere zaak specifiek op de zaak toegespitste gronden worden aangevoerd. Hiermee is de gemachtigde naar het oordeel van het hof niet geslaagd in het leveren van het bewijs dat zijn bedrijfsmodel niet eruit bestaat dat de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geeft immers geen inzicht in zijn bedrijfsmodel. De enkele omstandigheid dat geen gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken sluit immers niet uit dat het totale bedrag van de proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de in redelijkheid gemaakte kosten ver kan overtreffen.
12. Bij deze stand van zaken is niet vast komen te staan dat het geval van de betrokkene met het oog op het vaststellen van de proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. De vergoeding van de proceskosten zal daarom worden berekend met inachtneming van de Whpkv.
13. Met betrekking tot de te hanteren wegingsfactor overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is. De omstandigheid dat de vermenigvuldigingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, van de Wahv wordt toegepast maakt niet dat het gewicht van de zaak een andere wordt.
14. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere reactie, alsmede het verschijnen op de hoorzitting bij de officier van justitie dienen in totaal 4,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.270,56 (= (2 x € 647,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5) + (1,5 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.270,56.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.