ECLI:NL:GHARL:2025:5863
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Van Schuijlenburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk; proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke Mulderzaak
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees. Tijdens de procedure vernietigde de advocaat-generaal de inleidende beschikking, waardoor het hoger beroep feitelijk zijn doel verloor en niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het geschil betrof de toepassing van artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bij de berekening van de proceskostenvergoeding in Mulderzaken. Het hof volgde het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, waarin werd bepaald dat de factor genoemd in dat artikel alleen buiten toepassing blijft bij bijzondere gevallen, waarbij de stelplicht en bewijslast bij de belanghebbende rusten.
De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat zijn bedrijfsmodel niet voldeed aan het derde kenmerk van het arrest van de Hoge Raad, namelijk dat de proceskostenvergoedingen de redelijke kosten ver overtreffen. Het hof oordeelde echter dat de aangevoerde argumenten onvoldoende inzicht gaven in het bedrijfsmodel en dat niet was aangetoond dat sprake was van een bijzonder geval.
Daarom werd de factor toegepast en de proceskostenvergoeding vastgesteld op €1.270,56. Het hof veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van deze kosten en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het doel van het hoger beroep was bereikt.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.270,56.