Betrokkene is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was vastgesteld naar aanleiding van een veroordeling voor medeplegen van oplichting.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op €86.725,38, gelijk aan de helft van het gezamenlijke voordeel dat betrokkene en een medeverdachte ontvingen uit oplichting via niet geleverde mondmaskers tijdens de coronapandemie. Het hof oordeelde dat het voordeel uitsluitend uit het onderliggende oplichtingsfeit afkomstig was en niet uit witwassen.
De betalingsverplichting aan de Staat is vastgesteld op €78.269,65, waarbij rekening is gehouden met een compensatie wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste en tweede aanleg. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd is vastgesteld op 1080 dagen.
Het hof verwierp het verweer van de raadsman dat het voordeel veel lager zou zijn en dat bepaalde bedragen niet aan betrokkene konden worden toegerekend. Ook werd bevestigd dat conservatoir beslag en betalingen aan benadeelden niet in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting. Het arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. J. Dolfing en mr. R. Godthelp op 2 september 2025.