ECLI:NL:GHARL:2025:5308

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 september 2025
Publicatiedatum
1 september 2025
Zaaknummer
Wahv 200.351.977/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake niet-ontvankelijkheid administratief beroep bij verkeersboete

Betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een verkeersboete, waarbij de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens te late indiening. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en maakte verhogingen ongedaan.

Het hof oordeelt dat uit de communicatie van betrokkene niet blijkt dat hij administratief beroep wilde instellen, maar dat het ging om een inningskwestie. Hierdoor bestond geen hoorplicht voor de officier van justitie en was het beroep niet ontvankelijk.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, verklaart het beroep gegrond, en draagt op de brief van betrokkene ter verdere afhandeling aan het CJIB te geven. Een verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, en stelt vast dat geen administratief beroep is ingesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.977/01
CJIB-nummer
: 211299061
Uitspraak d.d.
: 1 september 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 11 februari 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de eerste en tweede verhoging ongedaan worden gemaakt en een bedrag van € 23,55 dat aan zekerheid is gesteld wordt gerestitueerd.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat geen sprake is van een termijnoverschrijding. Op de boete staat de datum van verzending: 4 oktober 2027 (het hof begrijp 2017) als pleegdatum. De beslissing van de officier van justitie is 6,5 jaar na dato en dateert van 8 februari 2025. Daarnaast is de betrokkene niet gehoord door de officier van justitie terwijl dit wel had gemoeten.
3. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de inleidende beschikking op 12 oktober 2017 aan de betrokkene is gezonden, waarna een innings- en incassotraject is doorlopen en verschillende dwangmiddelen zijn toegepast. Vanwege een openstaande vordering is een OPS-signalering aangemaakt. Dit betekent dat een signalering staat in het landelijk politieregister. Op 31 juli 2023 heeft het Parket CVOM via het Digitaal Loket Verkeer bericht ontvangen van de betrokkene, waarin staat dat de betrokkene in beroep gaat tegen de boete. Verder schrijft de betrokkene onder het kopje ‘ik ga te laat in beroep’ onder meer dat de boete allang is betaald via een incassobureau en dat dat is gebeurd via een loonbeslag. Het incassobureau heeft niets laten weten en daarom staat de boete nog open. De betrokkene schrijft dat hij net is staandegehouden door de politie en met hen heeft afgesproken het via deze weg te regelen. Het bericht in het Digitaal Loket Verkeer is ingediend zonder bijstand van een gemachtigde.
4. Naar het oordeel van het hof blijkt niet dat de betrokkene heeft beoogd administratief beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking. Er staat weliswaar in het op 31 juli 2023 via het digitaal loket verkeer aan de officier van justitie gerichte bericht dat de betrokkene beroep instelt, maar uit de rest van het bericht blijkt dat de betrokkene melding maakt van een inningskwestie. Omdat het incassobureau niets van zich heeft laten weten staat de zaak nog open. De betrokkene wil dat de zaak niet langer open staat. Op geen enkele wijze blijkt dat de betrokkene het niet eens is met de opgelegde sanctie. De kantonrechter heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist en het beroep ongegrond verklaard. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en verstaan dat geen administratief beroep is ingesteld. Gelet op het voorgaande bestond er ook geen hoorplicht voor de officier van justitie.
5. Het hof zal de griffier van het hof de opdracht geven om de brief van de betrokkene van 31 juli 2023 in handen te stellen van het CJIB ter verdere afhandeling. Daarbij wijst het hof er nog op dat de vertegenwoordiger van de officier van justitie op de zitting bij de kantonrechter verzocht heeft om de eerste en tweede verhoging ongedaan te maken. Het hof leidt hieruit af dat de vertegenwoordiger van de officier van justitie vindt dat de toegepaste verhogingen door het CJIB ongedaan moeten worden gemaakt.
6. Tot slot wijst het hof de gemachtigde van de betrokkene er op dat deze beslissing van het hof dit niet inhoudt dat de betrokkene in het gelijk is gesteld als bedoeld in de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786), zodat een verzoek om proceskostenvergoeding zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verstaat dat geen administratief beroep is ingesteld;
draagt de griffier van het hof op om de brief van de betrokkene van 31 juli 2023 ter verdere behandeling in handen te stellen van het CJIB;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.