Verdachte werd beschuldigd van het besturen van een personenauto onder invloed van amfetamine met een bloedwaarde van 1000 microgram per liter, hoger dan de wettelijke grenswaarde. De politierechter sprak verdachte vrij, maar het hof vernietigde dit vonnis vanwege een andere bewijswaardering.
Tijdens het onderzoek stelde het hof vast dat verdachte op 25 januari 2022 werd gecontroleerd en positief testte op amfetamine via een speekseltest, waarna bloed werd afgenomen. De uitslag van het bloedonderzoek werd naar het BRP-adres van verdachte gestuurd, ondanks dat verdachte geen alternatief adres had doorgegeven. Het hof oordeelde dat hiermee voldaan was aan de wettelijke verplichtingen omtrent kennisgeving en recht op tegenonderzoek.
De verdediging voerde aan dat de mededeling van het bloedonderzoek naar het verkeerde adres was gestuurd, waardoor het recht op tegenonderzoek niet kon worden uitgeoefend. Dit verweer verwierp het hof omdat verdachte geen ander adres had opgegeven en de politie expliciet vroeg naar het juiste adres.
Gezien de eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder recente positieve gedragsveranderingen, legde het hof een taakstraf van 26 uur op, met een subsidiaire hechtenisstraf van 13 dagen. De eerdere strafbeschikking werd vernietigd en het vonnis van de politierechter werd vervangen door deze veroordeling.