ECLI:NL:GHARL:2025:5221

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 augustus 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
Wahv 200.352.296/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArtikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging sanctie en afwijzing proceskostenvergoeding in samenhangende Wahv-zaken

De zaak betreft hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De betrokkene werd gesanctioneerd voor het niet correct geven van signalen tijdens het rijden op 18 november 2022. De kantonrechter had de sanctie gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

De betrokkene ontkende de gedraging, maar het hof stelde op basis van het proces-verbaal vast dat de gedraging wel degelijk had plaatsgevonden. Tevens werd de samenhang met een andere zaak bevestigd, ondanks verschillen in de dicta, omdat beide zaken betrekking hadden op dezelfde gedraging en dezelfde gronden voor beroep bevatten, waaronder het ne bis in idem-beginsel en overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter terecht de sanctie had gematigd en de samenhang tussen de zaken had vastgesteld. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat er geen aanleiding voor vergoeding was. De beslissing van de kantonrechter werd daarmee bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de sanctie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.296/01
CJIB-nummer
: 254025980
Uitspraak d.d.
: 26 augustus 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 27 februari 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Voor wat betreft de proceskostenvergoeding heeft de kantonrechter verwezen naar de zaak met CJIB-nummer 254025981, waarin het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van
€ 938,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is, na wijziging door de officier van justitie, als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van in € 150,- voor “R419 - signalen geven in een ander geval of op andere manier dan mag”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 november 2022 om 16.30 uur op de Ring Parkstad (N300) in Nuth met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie met 25 procent gematigd tot € 112,50, omdat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden.
3.
De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging ontkent.
4. Op grond van de gegevens in het zaakoverzicht en de in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2023 opgenomen verklaring kan de gedraging worden vastgesteld. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen. De aangevoerde grond treft geen doel.
5. De gemachtigde voert voorts aan dat de kantonrechter deze zaak ten onrechte als samenhangend met een andere zaak heeft aangemerkt, nu in de twee zaken specifieke op de zaak gerichte gronden zijn aangevoerd en er sprake is van verschillende dicta. In de andere zaak met CJIB-nummer 254025981 is aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking waarbij een sanctie is opgelegd in die zaak vernietigd. In de onderhavige zaak is aangevoerd dat er twee sancties zijn opgelegd voor dezelfde gedraging en dat in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. Ook is aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag in de onderhavige zaak gematigd met 25 procent.
6. In de onderhavige zaak heeft de gemachtigde in het beroepschrift bij de kantonrechter aangevoerd dat de betrokkene reeds een sanctie heeft ontvangen voor dezelfde gedraging. Die sanctie is opgelegd bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 254025981. Dat verhoudt zich niet het ne bis in idem-beginsel. Voorts heeft de gemachtigde aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Deze laatste grond heeft de gemachtigde ook in de zaak met CJIB-nummer 254025981 aangevoerd.
7. De kantonrechter heeft de onderhavige zaak en de zaak met CJIB-nummer 254025981 gelijktijdig behandeld en in één beslissing uitspraak gedaan. De kantonrechter heeft geoordeeld dat twee sancties zijn opgelegd voor dezelfde gedraging. De in de zaak met CJIB-nummer 254025981 opgelegde sanctie heeft de kantonrechter ongedaan gemaakt, in de onderhavige zaak heeft de kantonrechter de sanctie in stand gelaten maar het bedrag daarvan gematigd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
8. De kantonrechter heeft een proceskostenvergoeding toegekend voor de proceskosten gemaakt in administratief beroep in de zaak met CJB-nummer 254025981 alsmede voor de proceskosten in beroep bij de kantonrechter gemaakt in beide zaken. De kantonrechter heeft voor de berekening van de hoogte van de proceskosten in beroep bij de kantonrechter de onderhavige zaak als samenhangend met de zaak met CJIB-nummer 254025981 aangemerkt. De kantonrechter heeft, onder verwijzing naar artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht, overwogen dat de beslissingen in deze zaken door de kantonrechter op dezelfde dag zijn genomen, de beroepen door dezelfde gemachtigde zijn ingesteld en de werkzaamheden in de zaken als nagenoeg identiek te bestempelen zijn.
9. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter juist geoordeeld. Er is voldaan aan de criteria omschreven in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De door de gemachtigde ingenomen stelling dat verschillende gronden in beide zaken zouden zijn aangevoerd, wordt door het hof verworpen. In beide zaken is in beroep bij de kantonrechter naar voren gebracht dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleiding is overschreden. De in een van de zaken bij de kantonrechter aangevoerde grond dat er sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel betreft beide zaken. Dat de dicta ten aanzien van beide zaken andersluidend zijn, maakt niet dat er ten onrechte samenhang tussen beide zaken is aangenomen. Deze grond slaagt evenmin.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.