ECLI:NL:GHARL:2025:486

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.341.639/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 21 WetArt. 5.6.47 Regeling voertuigenArt. 5.5.47 Regeling voertuigenArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens twijfel over gordeldracht quad-bestuurder

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het niet dragen van een goedgekeurde helm tijdens het rijden op een quad. De betrokkene stelde dat hij een gordel droeg, waardoor de helmplicht niet van toepassing was. De ambtenaren verklaarden dat zij tijdens het rijden zagen dat de betrokkene geen gordel droeg, maar gaven geen concrete toelichting op hoe dit was vastgesteld.

Het hof oordeelde dat het vrijwel onmogelijk is om vanuit een rijdend voertuig achter een quad te zien of een gordel werd gedragen, mede omdat de gordel niet zichtbaar hangt zoals bij een auto. Hierdoor ontstond gerede twijfel over de waarneming van de ambtenaren.

Op grond van deze twijfel vernietigde het hof de sanctiebeschikking en de daaropvolgende beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens het niet dragen van een helm op een quad wordt vernietigd vanwege twijfel over het gebruik van de gordel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.639/01
CJIB-nummer
: 249959954
Uitspraak d.d.
: 30 januari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Na afloop van de schriftelijke fase is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene d.d. 19 juli 2024 ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder of passagier geen goedgekeurde, goedpassende/deugdelijk bevestigde helm dragen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 juni 2022 om 19.55 uur op de Muntbergweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene persisteert bij het standpunt dat de betrokkene een gordel droeg en daarom geen helm hoefde te dragen. Uit het dossier is niet gebleken hoe de ambtenaren al rijdend hebben kunnen constateren dat de betrokkene tijdens het rijden de gordel niet zou hebben gedragen. Dat is als er achter een quad aan wordt gereden zo goed als onmogelijk om te zien en de gordel hangt niet zoals bij een auto los langs de deurstijl.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij zagen dat de betrokkene in het geheel geen helm droeg tijdens het rijden. Wij zagen dat het voertuig een quad betrof. Voor dit type voertuig is het verplicht om een helm of de gordel te dragen. Deze quad was voorzien van een gordel. Wij zagen dat de bestuurder de gordel niet droeg en ook de helm niet droeg. (…)
Aan betrokkene in de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: Ik had mijn gordel om dan hoef je geen helm”.
4. Daarnaast bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 22 september 2023. Hierin verklaart de ambtenaar:
“In aanvulling op het verweer van betrokkene verklaar ik dat ik betrokkene heb zien rijden zonder helm, aansluitend heb ik met mijn collega gezien dat betrokkene tijdens het rijden ook de gordel niet droeg Wij reden in een onopvallend voertuig en hadden goed zicht op betrokkene. Het klopt dat betrokkene bij staandehouding toonde dat er een gordel op het voertuig aanwezig was maar tijdens het rijden zag ik dat betrokkene deze gordel niet om (het hof leest: had). Betrokkene heeft daarom een proces-verbaal gehad voor het niet dragen van de helm”.
5. Artikel 60 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 luidde ten tijde van de gedraging - voor zover hier relevant - als volgt:
“1. De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuring als bedoeld in artikel 21 van Pro de wet en een bij ministeriële regeling aangeduid goedkeuringskenmerk.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
(…)
d. de bestuurders of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van twee bevestigingspunten onder en één bevestigingspunt boven voor een autogordel overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig zoals die gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en waarbij de autogordel voldoet aan artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen of aan artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt.”
6. Niet wordt betwist dat de betrokkene als bestuurder van het onderhavige voertuig tijdens het rijden geen helm droeg. Het punt in geschil is of de betrokkene al dan niet van een gordel gebruikmaakte, zodat de verplichting om een helm te dragen niet gold. Reeds bij de staandehouding heeft de betrokkene verklaard dat hij een gordel om had. Ook in administratief beroep en in beroep bij de kantonrechter heeft de betrokkene volhardt in dat standpunt en dat nader onderbouwd met een getuigenverklaring. In het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal is door de ambtenaren slechts verklaard dat zij zagen dat de bestuurder geen gordel droeg. In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde de vraag opgeworpen hoe de ambtenaar heeft vastgesteld dat tijdens het rijden de gordel niet werd gebruikt en gesteld dat bij een quad niet goed is te zien of iemand wel of niet een gordel om heeft. Hierover is door de ambtenaren geen opheldering gegeven. Bij het hof is gerede twijfel ontstaan of de ambtenaar goed heeft waargenomen dat de betrokkene tijdens het rijden op het onderhavige voertuig niet gebruikmaakte van de gordel en daarom een helm diende te dragen. Gelet hierop kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Hoewel de gemachtigde binnen de gestelde termijn heeft gereageerd op het verweerschrift van de advocaat-generaal, zal het hof geen halve punt toekennen voor een nadere toelichting, omdat de gemachtigde in zijn reactie slechts persisteert bij hetgeen eerder is aangevoerd. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.230,50 (= (1 x € 647,- x 0,5) + (2 x € 907,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.230,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.