ECLI:NL:GHARL:2025:4775

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
200.344.370/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van bank bij hypothecaire lening en zorgplicht in het kader van kredietverstrekking

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de aansprakelijkheid van de Coöperatieve Rabobank U.A. bij de verstrekking van een hypothecaire lening aan [appellant]. [Appellant] had in 2008 een hypothecaire lening afgesloten voor de aankoop van een woning, maar na de kredietcrisis in 2016 werd de woning met verlies verkocht. [Appellant] stelde dat de bank tekort was geschoten in haar zorgplicht door de lening te verstrekken zonder voldoende waarschuwingen voor overkreditering. De bank betwistte dit en stelde dat zij voldoende had gewaarschuwd. Het hof oordeelde dat de bank niet aansprakelijk was voor het verlies van [appellant] en dat het krediet verantwoord was verstrekt. Het hof concludeerde dat er geen sprake was van dwaling en dat de bank haar zorgplicht had nageleefd. De vorderingen van [appellant] werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. [Appellant] werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.344.370/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 301954
arrest van 1 juli 2025
in de zaak van

1.[appellant] ,die woont in [woonplaats1] ,

2. [appellante],
die woont in [woonplaats2] ,
die hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de rechtbank optraden als eisers, tevens verweerders,
hierna samen:
[appellant],
advocaat: mr. R.H.J.M. Silvertand te Waalwijk,
tegen
Coöperatieve Rabobank U.A.,
die is gevestigd in Amsterdam,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde, tevens eiser,
hierna:
Rabobank,
advocaat: mr. R.S. van der Spek te Leeuwarden.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, op 10 april 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• het anticipatie-exploot
• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis met producties 14 tot en met 17
• de memorie van antwoord met producties 39 en 40
• producties 41 en 42 van de zijde van Rabobank
• akte met producties 18 tot en met 24 van de zijde van [appellant]
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 mei 2025 is gehouden

2.De kern van de zaak

Rabobank heeft [appellant] bij de aankoop van hun woning in maart 2008 een hypothecaire geldlening verstrekt. Nadien stortte de huizenmarkt in als gevolg van de kredietcrisis.
De woning is in 2016 met verlies verkocht. [appellant] is van mening dat de bank tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en onrechtmatig heeft gehandeld door de lening te verstrekken en onvoldoende te waarschuwen voor overkreditering. [appellant] houdt de bank daarom aansprakelijk voor het verlies. Rabobank betwist dat sprake was van overkreditering. Zij zegt dat zij [appellant] voldoende heeft gewaarschuwd voor de risico’s en vordert betaling van de restschuld.

3.Het oordeel van het hof

Inleiding
3.1
Het hof zal oordelen dat de bank niet aansprakelijk is voor het door [appellant] geleden verlies en dat het verweer van [appellant] tegen de vordering van Rabobank niet opgaat. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) tegen het vonnis van de rechtbank zullen daarbij thematisch worden behandeld.
3.2
In de eerste grief heeft [appellant] een bezwaar opgeworpen tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Het hof zal hierna zelf de feiten vaststellen met inachtneming van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd.
Feiten
3.3
In het voorjaar van 2007 ontstond onrust op de Amerikaanse subprime- hypotheekmarkt. De Nederlandse Bank (DNB)schreef in een kwartaalbericht van juni 2007 in het hoofdstuk “Financiële stabiliteit - raakt de hypotheekcrisis in de VS de financiële stabiliteit?” onder meer:
“De gevolgen voor de Nederlandse financiële stabiliteit lijken niettemin vooralsnog beperkt. Zo zijn de directe risico’s voor financiële ondernemingen gering, terwijl beleggers voldoende oog hebben voor de verschillen tussen de Amerikaanse en Nederlandse hypotheekmarkt. Hoewel ook in Nederland op de hypotheekmarkt sprake is van risicoconcentratie bij vooral jonge huishoudens, lijkt een vergelijkbaar crisisscenario zoals zich in de VS voordoet hier minder waarschijnlijk.”
3.4
In augustus 2007 heeft [appellant] met toen nog coöperatieve Rabobank Meppel-Steenwijkerland U.A. een gesprek gevoerd over het afsluiten van een hypothecaire geldlening voor de aankoop van een woning. Na verschillende gesprekken, het aanleveren van gegevens door [appellant] en het invullen van een aanvraagformulier, is de aanvraag behandeld door de kredietcommissie en zijn nadere voorwaarden gesteld. Vervolgens is door Rabobank een offerte afgegeven voor de volgende financiering:
  • Een geldlening van € 600.000,- met een variabele rente
  • Een geldlening van € 560.000,- met een vaste rente voor 10 jaar
  • Een overbruggingslening van € 40.000,-
De hypothecaire geldleningen zijn aflossingsvrij. De overbruggingslening gold aanvankelijk
voor een halfjaar en verwacht werd dat deze kon worden afgelost met overwaarde uit de
verkoop van de woning van [appellant] in [plaats1] .
3.5
[appellant] heeft de offerte op 20 september 2007 geaccepteerd en een woning in [woonplaats2] gekocht voor een bedrag van € 1.100.000,- kosten koper. Het transport van de woning vond plaats op 14 maart 2008. Op dat moment werd de financiering daadwerkelijk verstrekt.
3.6
De crisis op de Amerikaanse hypotheekmarkt raakte ook andere financiële instellingen die hadden belegd in effecten met risicovolle Amerikaanse hypotheken als onderpand. Dit zorgde voor liquiditeitsspanningen op de interbancaire geldmarkten.
DNB schreef in het Overzicht Financiële Stabiliteit (OFS) van maart 2008:
“Cruciale vraag in dit OFS is natuurlijk in hoeverre de genoemde mondiale ontwikkelingen dóórwerken op de financiële sector in ons land. De directe exposures en gerelateerde verliezen van Nederlandse financiële ondernemingen op subprime-hypotheekproducten zijn relatief beperkt. Besmetting kan echter ook langs indirecte kanalen plaatsvinden. Zo hebben de marktturbulenties zich inmiddels uitgestrekt naar een breder spectrum van financiële producten. Verder zal een eventuele afzwakking van de economische activiteit gevolgen hebben voor de winstgevendheid van het bankwezen, en werkt een daling van de lange rente en een correctie van aandelenmarkten door op de solvabiliteit van pensioenfondsen en verzekeraars. De omvangrijke kapitaalbuffers van Nederlandse instellingen bieden hierbij bescherming, waarbij de verwachting is dat de druk op de kapitaalratio’s van banken als
gevolg van op de balans terugkerende activa beperkt zal zijn.”
3.7
Op 15 september 2008 failleerde de Lehman Brothers en brak een wereldwijde
kredietcrisis uit (systeemcrisis). De overbruggingslening liep af, maar omdat de woning van [appellant] in [plaats1] nog niet was verkocht, werd deze lening met een halfjaar verlengd.
3.8
In oktober 2008 heeft [appellant] na een geschil met zijn leidinggevende zijn baan
opgezegd en heeft hij samen met een partner een eigen bedrijf opgericht. Zijn inkomsten
daalden van € 128.952.- naar € 80.000,- per jaar.
3.9
In november 2008 nam Rabobank contact op met [appellant] omdat sprake was van
een debetstand op zijn betaalrekening en de renteverplichtingen op de hypothecaire
geldleningen niet werden voldaan.
3.1
De woning van [appellant] in [plaats1] werd in november 2008 verkocht zonder de
verwachte overwaarde. Rabobank heeft de overbruggingslening daarop omgezet naar een
aflossingsvrije hypothecaire geldlening met een vaste rente voor vijf jaar.
3.11
[appellant] heeft de woning in [woonplaats2] te koop gezet. Op 1 maart 2017 is deze
verkocht voor € 661.062,07. Er ontstond een restschuld op de totale financiering van
€ 615.854,55.
3.12
Op verzoek van [appellant] heeft [naam1] , werkzaam bij Financial Consult
Nederland, in 2018 een rapport uitgebracht over de door Rabobank verstrekte financiering.
3.13
[appellant] heeft Rabobank bij brief van 29 januari 2021 aansprakelijk gesteld.
3.14
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd:
- voor recht te verklaren dat Rabobank ten onrechte geldleningen aan hem heeft verstrekt;
- de bank te veroordelen tot betaling van het bedrag van de restschuld welk bedrag [appellant] dient te verrekenen met zijn schuld aan de bank;
- voor recht te verklaren dat Rabobank, na de hiervoor genoemde verrekening niets meer van [appellant] te vorderen heeft;
- de bank te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.15
Rabobank heeft verweer gevoerd en op haar beurt gevorderd:
- voor recht te verklaren dat de restschuld van [appellant] per 1 maart 2017 € 615.854,55 bedroeg en volledig opeisbaar is;
- [appellant] hoofdelijk te veroordelen om dit bedrag plus de wettelijke rente en kosten vanaf 1 maart 2017 aan Rabobank te betalen;
- [appellant] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.16
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van Rabobank toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat zijn (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen alsnog worden toegewezen en de vorderingen van Rabobank worden afgewezen.
Eiswijziging
3.17
[appellant] heeft zijn vorderingen in hoger beroep gewijzigd en vordert:
- het vonnis van de rechtbank te vernietigen;
- te verklaren voor recht dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden door aan [appellant] in 2008 en 2009 kredieten te verstrekken;
- te verklaren voor recht dat [appellant] niet verplicht is aan Rabobank de restschuld te betalen vanwege een beroep op dwaling;
- te verklaren voor recht dat Rabobank tekort is geschoten in de nakoming van haar overeenkomst van opdracht jegens [appellant] en zij gehouden is de dientengevolge verschenen schade te vergoeden, welke schade gelijk is aan de aan Rabobank te betalen restschuld;
- Rabobank te veroordelen in de kosten van [naam1] ;
- Rabobank te bevelen om binnen 14 dagen na het wijzen van arrest de Stichting Bureau kredietregistratie in Tiel (BKR) te melden dat zij [appellant] ten onrechte heeft geregistreerd in haar register en BKR te verzoeken om de achterstandscodering van [appellant] te schrappen en geschrapt te houden, met de uitdrukkelijk mededeling dat de registratie niet dient te worden voorzien van een herstelcode, maar de registratie te schappen nu die van meet af aan onterecht was;
- Rabobank te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
3.18
De eis is tijdig, bij memorie van grieven, gewijzigd en Rabobank heeft tegen deze eiswijziging geen bezwaar gemaakt. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis.
Rabobank kon in september 2007 de kredietcrisis niet voorzien en behoefde niet voor de gevolgen daarvan te waarschuwen
3.19
[appellant] noemt het begrijpelijk dat Rabobank in 2007 niet kon voorzien tot welke grote gevolgen de kredietcrisis zou leiden maar vindt het onbegrijpelijk dat Rabobank de “sluimerende kredietcrisis” niet als bijzondere omstandigheid in haar overwegingen heeft meegenomen en [appellant] niet indringend heeft gewaarschuwd dat de kredietcrisis de kans dat de risico’s die kleefden aan deze kredietverlening zich zouden manifesteren vergrootte.
3.2
Tussen partijen staat vast dat [appellant] zich in 2007 in verband met de voorgenomen aankoop van een woning in [woonplaats2] tot de Rabobank heeft gewend en dat hij de aan hem uitgebrachte offerte op 20 september 2007 heeft geaccepteerd. Er was toentertijd sprake van onrust op de Amerikaanse subprime-hypotheekmarkt. Uit het kwartaalbericht van de Nederlandse Bank van juni 2007 (hiervoor deels geciteerd in 3.3.) blijkt dat de Nederlandse Bank de gevolgen voor de financiële stabiliteit in Nederland gering noemde en een vergelijkbaar crisisscenario in Nederland minder waarschijnlijk achtte.
In dat licht valt niet in te zien dat Rabobank in september 2007 kon voorzien dat deze Amerikaanse hypotheekcrisis een jaar later, na de val van de Lehmann Brothers, zou worden gevolgd door een wereldwijde kredietcrisis en dat zij [appellant] had moeten waarschuwen voor de gevolgen daarvan. Op 14 maart 2008, de datum waarop het krediet daadwerkelijk werd uitbetaald, was dat evenmin het geval. Uit het bericht van DNB van maart 2008 (deels geciteerd in 3.6) blijkt dat DNB de kans dat de mondiale ontwikkelingen zouden doorwerken op de financiële sector in Nederland, ook toen nog gering achtte.
3.21
Grief 1 faalt.
Het krediet was verantwoord. Geen gerechtelijke erkentenis of rechtsverwerking
3.22
[appellant] stelt zich primair op het standpunt dat Rabobank hem in 2008 geen krediet had mogen verstrekken, omdat dat onverantwoord was. [appellant] heeft onder verwijzing naar de rapportages van [naam1] (van 2018, 2024 en 2025) betoogd dat er sprake was van overkreditering: Rabobank zou een hoger krediet hebben verstrekt dan op grond van artikel 4:34 lid 1 Wet op het Financieel Toezicht (Wft), artikel 6 lid 4, artikel 6 lid 6 GHF 2007 (de "publieke zorgplicht") en artikel 2 Algemene Bankvoorwaarden (de "private zorgplicht") verantwoord was en daarmee in strijd met haar zorgplicht hebben gehandeld. [appellant] stelt verder dat Rabobank heeft erkend dat zij een te hoog krediet heeft verstrekt en dat zij haar recht heeft verwerkt om op die erkenning terug te komen.
3.23
Artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden houdt in dat Rabobank een zorgplicht heeft jegens haar klanten.
3.24
Artikel 4:34 Wft luidde indertijd als volgt:
"1. Voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet wint
een aanbieder van krediet in het belang van de consument informatie in over diens
financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering van de
consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
2. De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument
indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste en tweede lid."
3.25
Door de Nederlandse Vereniging van Banken is de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) opgesteld. De GHF is van toepassing op hypothecaire financieringen die als standaardproduct worden verstrekt aan consumenten ten behoeve van de aankoop van een woning. De GHF geeft een invulling van de wettelijke norm van artikel 4:34 Wft over verantwoorde kredietverstrekking. Uit de GHF (versie 2007) volgt onder meer dat in het geval de financiering wordt verstrekt aan meer consumenten, bij het bepalen van de leencapaciteit rekening mag worden gehouden met hun gezamenlijke inkomsten (artikel 6 lid 2 slot) en dat het maximale bedrag van de bruto lasten verbonden aan een hypothecaire financiering wordt vastgesteld op basis van actuele door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) vastgestelde woonlastpercentages (artikel 6.3). In artikel 6.4 is voorgeschreven aan de hand van welke toets-rente de leencapaciteit moet worden berekend. In artikel 6.6 is bepaald dat in bijzondere gevallen en onder bepaalde voorwaarden een hypothecaire financiering mag worden verstrekt die de in art 6.2, 6.3 en 6.4 bedoelde normen overschrijdt.
3.26
Er zijn twee financieringsaanvragen van [appellant] (AFP, aanvraag financiering particulieren) voorgelegd aan de kredietcommissie van Rabobank. In AFP 1 (productie 8 bij conclusie van antwoord) ging het om een aflossingsvrije financiering van € 1.200.000.
In AFP 2 (productie 10 bij cva) was dit gewijzigd in een aflossingsvrije financiering van
€ 1.160.000 euro en een overbruggingskrediet van € 40.000. Laatstgenoemd bedrag zou worden afgelost uit de verwachte overwaarde van de woning in [plaats1] . De financiering is op basis van AFP 2 verstrekt. Voor zover [naam1] , die in opdracht van [appellant] rapporten heeft uitgebracht, zijn bevindingen heeft gebaseerd op AFP 1, zijn deze niet ter zake doende.
3.27
Uit AFP 2 volgde dat de totale genormeerde woon- en financieringslasten op jaarbasis € 2.207,59 te hoog waren indien zou worden uitgegaan van een 30-jaars annuïtaire lening met een toets-rente van 5,11% waarop maandelijks zou worden afgelost. Partijen zijn het erover eens dat die berekening een fout bevatte doordat het krediet in rekening-courant van € 3.700 in zijn geheel was meegenomen in plaats van slechts 24% daarvan, zoals de gedragscode van de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (VFN) destijds voorschreef. In werkelijkheid was dus geen sprake van overkreditering. [naam1] , de door [appellant] ingeschakelde deskundige, heeft dat bevestigd. Hij concludeerde dat deze berekening bij correctie van de fout, juist een overschot van € 9.278,95 liet zien.
3.28
Rabobank heeft in deze procedure al in haar conclusie van antwoord uiteengezet dat AFP 2 een rekenfout bevatte en dat er in werkelijkheid geen sprake was van een overschrijding van de genormeerde woon- en financieringslasten. Van een gerechtelijke erkentenis dat er een te hoog krediet is verstrekt, is dan ook geen sprake. [appellant] heeft bovendien niet toegelicht waarom Rabobank haar recht zou hebben verwerkt om terug te komen op de fout in haar berekening.
3.29
Voor zover [appellant] , onder verwijzing naar de rapporten van [naam1] , heeft aangevoerd dat Rabobank in haar berekening van een onjuiste toets-rente en woonquote is uitgegaan, verwerpt het hof die stelling nu deze in het licht van de gemotiveerde betwisting door Rabobank onvoldoende onderbouwd is. Zo is niet duidelijk waarop het door [naam1] genoemde toets-rentepercentage is gebaseerd. Rabobank heeft wat de woonquote betreft aangegeven dat haar systeem met het meest actuele NIBUD percentage rekent, in dit geval met het percentage voor 2008, dat – zoals Rabobank tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken heeft gesteld – ten tijde sluiten van de kredietovereenkomst in september 2007 al door het NIBUD bekend gemaakt was. Nu het transport van de woning in maart 2008 zou plaatsvinden, was het naar het oordeel van het hof terecht dat Rabobank het voor 2008 geldende percentage hanteerde.
3.3
Het inkomen van [appellant] was blijkens de gecorrigeerde berekening van de leencapaciteit conform artikel 6.4 GHF (ook aangeduid als de Loan To Income-ratio) voldoende om de lening te kunnen betalen. Daarom behoeft hetgeen door partijen is aangevoerd met betrekking tot de uitzondering van artikel 6.6 GHF geen bespreking meer.
3.31
[appellant] heeft verder aangevoerd dat Rabobank destijds zou hebben onderkend dat (a) het krediet een groot bancair risico vormde, (b) de vastgestelde executiewaarde zeer zwak was ten opzichte van de hoogte van de lening (ook aangeduid als de Loan To Value-ratio) en (c) de bestendigheid van het inkomen van [appellant] twijfelachtig was. Ook om die redenen zou sprake zijn geweest van een onverantwoorde kredietverstrekking. Het hof overweegt daarover het volgende.
3.32
De kredietcommissie van Rabobank heeft aanvankelijk gesproken van ‘groot bancair risico’ omdat de twee aangeleverde taxatierapporten van de woning niet voldeden aan de daaraan gestelde eisen en er daardoor vragen rezen over de waarde van het onderpand.
Dat was aanleiding voor het inschakelen van een externe deskundige om de juiste executiewaarde te laten vaststellen. Op basis van dat rapport kwam Rabobank tot de conclusie dat de financiering aan de Loan To Value -ratio voldeed, omdat deze onder de destijds toegestane grens van 125% van de executiewaarde van het onderpand bleef.
3.33
De kredietcommissie had in eerste instantie ook vraagtekens bij de bestendigheid van het inkomen van [appellant] die toentertijd een contract voor bepaalde tijd had. In verband daarmee heeft Rabobank nader onderzoek gedaan naar het inkomen van [appellant] in voorgaande jaren – dat bestendig bleek – en naar de financiële positie van het bedrijf waar hij werkzaam was – die niet problematisch bleek. Naar aanleiding van opmerkingen van de kredietcommissie werd het tijdelijke contract van [appellant] omgezet in een vast contract.
De vraagtekens omtrent de bestendigheid van het inkomen van [appellant] waren daarmee weggenomen. Dat gold temeer omdat [appellant] volgens een schrijven van zijn werkgever
€ 100.000 per jaar meer zou gaan verdienen in de vorm van een management fee. Met dat bedrag heeft Rabobank in haar berekening overigens nog geen rekening gehouden. De bank had naar het oordeel van het hof dan ook geen twijfels behoeven te hebben bij de bestendigheid van het inkomen van [appellant] . Dat [appellant] een half jaar na de kredietverstrekking in verband met een arbeidsconflict zèlf ontslag zou nemen was voor Rabobank niet te voorzien.
3.34
[appellant] heeft tenslotte betoogd dat Rabobank hem in 2009 geen krediet had mogen verstrekken. Het ging in 2009 echter niet om de verstrekking van een nieuw krediet, maar om de omzetting van het overbruggingskrediet in een gewone lening. Dit hield verband met het feit dat [appellant] , door de tegenvallende verkoopopbrengst van zijn woning in [plaats1] , niet in staat was het overbruggingskrediet af te lossen. Rabobank heeft benadrukt dat dit destijds de best mogelijke oplossing voor [appellant] was en [appellant] heeft dat niet gemotiveerd bestreden. Naar het oordeel van het hof was daarom ook in 2009 geen sprake van een onverantwoorde kredietverstrekking.
3.35
De grieven 2 en 3 falen.
Voldoende gewaarschuwd. Geen dwaling
3.36
[appellant] verwijt Rabobank subsidiair dat zij hem onjuist heeft geïnformeerd over de werkelijke lasten van de lening en hem niet indringend heeft gewaarschuwd voor de specifieke risico’s van een restschuld. Zou de bank dat wel hebben gedaan, dan was [appellant] het krediet niet aangaan, zo stelt hij. [appellant] beroept zich bij wijze van verweer tegen de vordering van Rabobank op dwaling.
3.37
Voor zover [appellant] de Rabobank verwijt dat zij hem niet heeft gewaarschuwd voor ‘het grote bancaire risico’ en de gevolgen van de kredietcrisis, stuiten die verwijten af op hetgeen daarover hiervoor is overwogen. Wat de hoogte van de werkelijke lasten van de hypothecaire financiering betreft is het hof van oordeel dat Rabobank [appellant] juist heeft geïnformeerd. In het lastenoverzicht dat als bijlage bij AFP 2 is gevoegd staan de bruto lasten (rente en premie) vermeld evenals het fiscaal voordeel van de rente en de netto lasten.
[appellant] klaagt dat de bank het eigenwoningforfait niet heeft benoemd, maar dat hoefde zij ook niet. Het eigenwoningforfait is geen onderdeel van de hypothecaire last, maar een forfaitair bedrag dat de fiscus bij bezitters van een eigen woning bij het inkomen optelt en betrekt in de belastingheffing. [appellant] had al een eigen woning in [plaats1] en was met deze vorm van belastingheffing dan ook bekend. Door [appellant] is bovendien niet gesteld dat het eigenwoningforfait voor hem doorslaggevend was voor zijn beslissing de kredietovereenkomst aan te gaan, laat staan dat is gebleken dat dat voor Rabobank kenbaar was.
3.38
Uit het dossier blijkt verder genoegzaam dat Rabobank [appellant] meermaals heeft gewezen op de risico’s van inkomensterugval en restschuld èn dat [appellant] die risico’s uitdrukkelijk heeft aanvaard. Dat blijkt onder meer uit het Inventarisatieformulier (productie 1 bij conclusie van antwoord), uit de gespreksverslagen (productie 2 bij conclusie van antwoord) en uit de geaccepteerde offerte (AFP 2, productie 1 bij dagvaarding). Uit productie 1 bij dagvaarding en productie 38 bij akte overlegging producties van 4 maart 2024 blijkt bovendien dat zowel [appellant] als zijn schoonouders zijn gewezen op de risico’s verbonden aan de borgstelling en dat zij deze hebben geaccepteerd.
3.39
Voor zover [appellant] heeft gesteld dat Rabobank indringender had moeten waarschuwen verwerpt het hof dat standpunt. Een hypothecaire geldlening is een relatief eenvoudig product en geen complex financieel product zoals effectenleaseovereenkomsten of renteswaps. Dat geldt ook voor de door de schoonouders verstrekte borgtocht, die overigens niet door de bank is uitgewonnen en ook niet uitgewonnen gaat worden.
Het hof is van oordeel dat Rabobank met het de informatie die zij heeft verstrekt en de risico’s waarop zij heeft gewezen aan haar zorgplicht als aanbieder van een hypothecaire geldlening heeft voldaan.
Dat [appellant] de overeenkomst onder invloed van dwaling is aangegaan is niet gebleken. Zijn beroep op dwaling faalt.
3.4
Grief 4 faalt.
Geen verwijdering BKR registratie
3.41
Uit het falen van de grieven 1 tot en met 4 volgt dat ook grief 4a vergeefs is voorgedragen.
Rabobank is in haar rol van financieel adviseur evenmin tekort geschoten
3.42
[appellant] benadrukt dat Rabobank niet alleen aanbieder van de hypotheek was maar ook adviseur. Daarom diende Rabobank niet alleen te onderzoeken of het krediet verantwoord was maar ook of het voor [appellant] passend was. [appellant] is in dat verband van mening dat Rabobank niet heeft voldaan aan de uit artikel 4:23 Wft voortvloeiende verplichtingen en daarmee tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht (art 7:401 Burgerlijk Wetboek).
3.43
Artikel 4:23 lid 1 Wft luidde in 2007 als volgt:
“Indien een financiële onderneming een consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, cliënt adviseert:
a. wint zij in het belang van de consument onderscheidenlijk de cliënt informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voorzover dit redelijkerwijs relevant is voor haar advies;
b. draagt zij er zorg voor dat haar advies, voorzover redelijkerwijs mogelijk, rekening houdt met de in onderdeel a bedoelde informatie; en
c. licht zij de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan haar advies voorzover dit nodig is voor een goed begrip van haar advies.”
3.44
Al hetgeen [appellant] in de toelichting op deze grief heeft aangevoerd over het vermeend verkeerd berekenen van de lasten, het niet meenemen van het eigenwoningforfait, het inkomen, de waarde van het onderpand, de borgtocht en het waarschuwen voor de gevolgen van de kredietcrisis en de risico’s van inkomensterugval en restschuld is hiervoor door het hof besproken en verworpen. Uit het dossier is genoegzaam gebleken dat Rabobank de nodige informatie heeft ingewonnen aangaande het inkomen van [appellant] en de waarde van het onderpand, dat zij [appellant] meermaals heeft gewezen op de risico’s van het aangaan van een lening op basis van beider inkomens, te weten het risico van inkomensterugval en restschuld en dat [appellant] die risico’s uitdrukkelijk heeft aanvaard.
Daarmee heeft Rabobank ook in haar rol van adviseur aan haar zorgplicht voldaan.
Causaliteit
3.45
De schade die [appellant] hebben geleden door de lagere verkoopopbrengst van hun woning staat dus niet in causaal verband met enige zorgplichtschending door Rabobank.
Het feit dat [appellant] de lasten van de woning op enig moment niet meer kon voldoen was een gevolg van zijn eigen keuze om zijn dienstverband op te zeggen, waardoor zijn inkomen drastisch daalde. Dat de huizenprijzen in die periode als gevolg van de kredietcrisis fors daalden, was een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar niet iets dat Rabobank te verwijten valt.
3.46
Ook grief 6 faalt.
De slotsom
3.47
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1]
3.48
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 april 2024;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Rabobank:
€ 6.561,- aan griffierecht
€ 112,37 aan kosten anticipatie-exploot
€ 10.304,- aan salaris van de advocaat van Rabobank (2 punten x appeltarief VII, 5.152,-)
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. J.H. Kuiper en mr. A. van Hees,
en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.