In hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter is door het hof onderzocht of de verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerst om de strafprocedure te kunnen volgen. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg was geen tolk aanwezig, ondanks dat de verdachte hierom had gevraagd en een tolk uit eigen kring had meegenomen die niet werd ingeschakeld.
De verdediging stelde dat er sprake was van taalverwarring en onvoldoende taalvaardigheid van de verdachte, terwijl het openbaar ministerie dit betwistte en stelde dat er meerdere beoordelingsmomenten waren geweest waarbij geen tolk nodig werd geacht. Het hof stelde vast dat het ontbreken van een tolk een schending van het recht op een eerlijk proces betekent, zoals vereist door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Daarom oordeelde het hof dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad en vernietigde het vonnis van de politierechter. De zaak wordt terugverwezen naar de politierechter voor een nieuwe behandeling met inachtneming van de vereiste bijstand van een tolk.