De moeder van partijen is in 2019 overleden en haar vier kinderen zijn erfgenamen van de nalatenschap, die beneficiair is aanvaard. Er ontstond onenigheid over door [appellante] voorgeschoten kosten, de verdeling van de inboedel, grafrechten en premies van de inboedelverzekering. De inboedel is inmiddels verdeeld.
[Appellante] vorderde betaling van voorgeschoten kosten en grafrechten, en vergoeding van inboedelverzekeringspremies. De rechtbank wees de vorderingen over voorgeschoten kosten en verzekering af, maar kende de grafrechten toe. In hoger beroep wilde [appellante] de afwijzing van de eerste twee vorderingen ongedaan maken, terwijl de broers een gedeeltelijke afwijzing van de grafrechten vordering wilden.
Het hof oordeelde dat de voorgeschoten kosten reeds door het vonnis van 1 december 2021 zijn beslist en gezag van gewijsde hebben. De aanvullende kosten bleken onvoldoende gespecificeerd en niet aannemelijk ten behoeve van moeder gemaakt. De premies van de inboedelverzekering over de periode 2 juli 2020 tot 29 november 2023 moeten ten laste van de nalatenschap komen, omdat deze kosten gezamenlijk gedragen moeten worden. De grafrechten dienen gelijkelijk door alle erfgenamen te worden gedragen; [appellante] moet € 235,00 aan een broer terugbetalen. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.