ECLI:NL:GHARL:2025:4162

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
21-001865-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep in een ontnemingszaak tegen een verdachte die eerder door de rechtbank Gelderland was veroordeeld voor medeplegen van een wapendelicten maar vrijgesproken van druggerelateerde feiten.

Het Openbaar Ministerie had gevorderd dat de verdachte een bedrag van € 513.136,80 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat zou betalen. De rechtbank had deze vordering toegewezen, maar het hof heeft deze beslissing vernietigd.

Tijdens de terechtzitting op 23 juni 2025 heeft het hof vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte andere strafbare feiten heeft gepleegd waaruit voordeel is verkregen. Hierdoor ontbreekt de wettelijke grondslag voor ontneming.

Het hof verklaart daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en vernietigt de eerdere beslissing van de rechtbank. De zaak is opnieuw beoordeeld en het arrest is op 7 juli 2025 uitgesproken.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001865-24
Uitspraak van 7 juli 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 16 april 2024 met parketnummer 05-022766-22 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres]

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van
€ 513.136,80 (hoofdelijk).
Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 16 april 2024 in de hoofdzaak onder andere veroordeeld ter zake medeplegen van het op 28 juli 2020 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank heeft bij beslissing van 16 april 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 513.136,80, en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag, waarbij is bepaald dat door de veroordeelde dient te worden voldaan een bedrag van € 513.136,80 (hoofdelijk).
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide uitspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en haar raadsman,
mr. W.J. Morra, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Betrokkene is bij arrest van dit hof van 7 juli 2025, gewezen onder parketnummer
21-001865-24, in de hoofdzaak ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een taakstraf en vrijgesproken van de druggerelateerde feiten waarop de vordering tot ontneming was gebaseerd. Voorts is het hof in het geheel niet gebleken van aanwijzingen dat verdachte andere strafbare feiten heeft begaan door middel waarvan of waaruit verdachte voordeel heeft verkregen..
Gelet hierop ontbreekt enige grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof verklaart daarom het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. E.W. van den Heuvel en mr. M.J. Ouweneel, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.C. Drenthe, griffier,
en op 7 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 juli 2025.
mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,
mr. S. Dijkman, advocaat-generaal,
mr. H.A.C. Peters, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.