In deze zaak staat de vraag centraal of de moeder moet meewerken aan de door de voorzieningenrechter vastgestelde begeleide zorgregeling tussen de vader en de minderjarige, of dat deze zorgregeling voorlopig moet worden geschorst. Partijen zijn de ouders van een kind geboren in 2020, met gezamenlijk gezag. Na een incident op 24 juli 2024 waarbij de vader zich dreigend gedroeg en strafrechtelijk werd veroordeeld, heeft de moeder de omgang stopgezet uit vrees voor de vader.
De voorzieningenrechter had bepaald dat de omgang één keer per week onder begeleiding plaatsvindt, met een dwangsom bij niet-nakoming. De moeder stelde hoger beroep in en vorderde schorsing van de zorgregeling. Het hof oordeelt dat het aannemelijk is dat gedwongen contact, ook onder begeleiding, een negatieve weerslag heeft op het kind vanwege zijn angst voor de vader.
Hoewel de raad voor de kinderbescherming het contact onder begeleiding adviseerde voort te zetten, wijkt het hof hiervan af en schorst de zorgregeling voorlopig. Het hof wijst op het lopende bodemproces en het beschermingsonderzoek van de raad, dat meer duidelijkheid moet geven over de angsten van het kind en de voorwaarden voor hervatting van contact. De vader volgt een zelfhulpprogramma voor verslavingsherstel, wat het hof relevant acht voor toekomstige beslissingen.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het arrest werd uitgesproken op 28 januari 2025 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.