“Op woensdag 9 februari 2022, op of omstreeks 2:10 uur, waren wij, verbalisanten [naam2] en
[naam3] , belast met de verkeersurveillance binnen de eenheid Den Haag. (…)
Wij, verbalisanten, bevonden ons op de voor het openbare verkeer openstaande weg, te weten de autosnelweg A12 links, ter hoogte van hectometerpaal 18.8. Wij zagen dat de ANPR in ons dienstvoertuig een hit gaf van een motorrijtuig wat ons zojuist passeerde. Wij zagen dat de zogenaamde hit een kenteken vermeldde. Dit kenteken betrof [kenteken] . Bij navraag van dit kenteken in het register van de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) bleek dit kenteken toe te behoren bij een motorrijtuig, een Opel Corsa, grijs van kleur. In de notities van het ANPR-systeem werd mededeling gedaan dat er sprake was van rijden onder invloed door een bestuurder die gebruik maakte van het motorrijtuig, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] , waarvan de personalia luidden: [de betrokkene] , geboren [in] 1981. Na de bevraging gedaan te hebben, zijn wij de autosnelweg A12 links afgereden, komende uit de richting van Zevenhuizen en gaande in de richting van ’s-Gravenhage.
Op het moment dat wij ons op de hoofdrijbaan van de autosnelweg A12 bevonden ter hoogte van de verzorgingsplaats Knorrestein, zagen wij het voornoemde motorrijtuig over de verzorgingsplaats rijden, in de richting van de toerit naar de hoofdrijbaan van de autosnelweg A12 links. Daarop hadden wij, verbalisanten, besloten om de bestuurder te controleren op het gebruik van alcohol en drugs, alvorens een motorrijtuig te besturen. (…).
Ik, verbalisant [naam3] , sprak de bestuurder aan de bestuurderszijde van zijn motorrijtuig aan en vorderde ter inzage een geldig rijbewijs en een geldige kentekenbewijs van het door hem bestuurde motorrijtuig. Wij, verbalisanten [naam3] en [naam2] , hoorden de bestuurder verklaren dat hij niet wenste mee te werken aan de door verbalisant [naam3] gegeven vordering. (…).
Ik, verbalisant [naam3] , heb vervolgens meerdere keren de bestuurder gevorderd om ter inzage een geldig rijbewijs en een kentekenbewijs van het door hem bestuurde motorrijtuig te overhandigen. Wij, verbalisanten, hoorden de bestuurder verklaren dat hij niet wenste mee te werken aan deze vordering en dat wij geen reden hadden om hem te onderwerpen aan een controle. Ik, verbalisant [naam2] , deelde de bestuurder mede dat wij hem wilden onderwerpen aan een voorlopig onderzoek uitgeademde lucht middels het voorselectie-apparaat Dräger, om uit te sluiten dat hij onder invloed een motorrijtuig zou besturen. Na dit voorlopige onderzoek, zou de bestuurder tevens medewerking moeten verlenen aan een zogenaamde speekseltest om uit te sluiten dat hij mogelijk onder invloed van verdovende middelen een voertuig had bestuurd.
Alvorens wij deze onderzoeken wilden verrichten, dienden wij de identiteit van de bestuurder vast te stellen middels een geldig op zijn naam gesteld rijbewijs.
Wij hoorden dat de bestuurder nergens aan mee wenste te werken en dat wij het alleen gemunt hadden op minderheden, waarbij wij hem hoorden zeggen dat wij racisten waren. Daarbij was zijn mening dat de politie een racistische organisatie is.
Daarop hebben wij de bestuurder gewezen op de consequenties van zijn handelen, zoals het niet voldoen aan bevel of vordering en het niet voldoen aan de verplichting om een geldig legitimatiebewijs te tonen.
Na diverse vorderingen, hebben wij, verbalisanten [naam3] en [naam2] , de bestuurder aangemerkt als verdachte en aangehouden ter zake overtreding van artikel 160, lid 6, Wegenverkeerswet 1994 en het plegen van het misdrijf van artikel 184, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. (…).
Door de ruime tijdspanne waarin wij met de bestuurder in gesprek waren, hadden wij geen indicaties dat de bestuurder onder invloed was van enige stof die de rijvaardigheid zou kunnen beïnvloeden. Wij, verbalisanten, hoorden de verdachte volharden niet mee te werken aan enig onderzoek. Nadat wij de verdachte hadden medegedeeld waarvan hij verdacht werd en dat er proces-verbaal opgemaakt zou worden tegen hem voor de ten laste gelegde feiten, hebben wij verdachte gewezen op zijn rechten, zoals dat hij niet tot antwoorden verplicht was en dat hij voor eigen kosten recht had op consulstatie- en verhoorbijstand door een advocaat. (…).”