ECLI:NL:GHARL:2025:3275

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
28 mei 2025
Zaaknummer
Wahv 200.340.292/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Willems-Keekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GwArt. 8 EVRMArt. 160 WVW 1994Art. 159 WVW 1994Art. 184 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor weigering medewerking aan voorlopige ademtest zonder concrete aanleiding

De betrokkene werd op 9 februari 2022 staande gehouden door politie op de autosnelweg A12 vanwege een hit in het ANPR-systeem, waarna hem werd verzocht mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Hij weigerde dit en de ambtenaren legden een sanctie van € 250,- op. De kantonrechter matigde deze sanctie tot € 187,50, waarna de betrokkene hoger beroep instelde.

De betrokkene voerde aan dat hij ten onrechte werd staande gehouden en dat sprake was van etnisch profileren. Ook stelde hij dat hij niet de kentekenhouder was en dat de politie tegenstrijdige verklaringen gaf over de reden van de aanhouding. Daarnaast stelde hij dat hij onterecht een nacht op het politiebureau verbleef en dat zijn financiële situatie onvoldoende werd meegewogen.

Het hof oordeelde dat een concrete aanleiding voor het voorlopige ademonderzoek niet vereist is en dat de politie niet buiten haar bevoegdheid is getreden. De enkele stelling van etnisch profileren is onvoldoende om de rechtmatigheid van de staandehouding te betwisten. Het videofragment en de verklaringen bevestigen dat de betrokkene op eerste vordering weigerde mee te werken. De matiging van de sanctie door de kantonrechter blijft gehandhaafd. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: De sanctie van € 187,50 voor weigering medewerking aan een voorlopige ademtest wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.340.292/01
CJIB-nummer
: 247795259
Uitspraak d.d.
: 28 mei 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C. Arslaner, advocaat te Leidschendam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 mei 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “niet meewerken aan het voorlopige onderzoek van uitgeademde lucht en/of aanwijzingen in dit kader niet opvolgen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 februari 2022 om 2.19 uur op de Zwartelaan in Voorburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de ambtsedige verklaring van de ambtenaar in het dossier zwaarder dient te wegen dan de verklaring van de betrokkene dat de gedraging niet is verricht, aangezien in het strafrecht is vastgelegd dat één getuige/verklaring niet voldoende is als bewijsmiddel. De betrokkene heeft bij de staandehouding slechts opmerkingen gemaakt over etnisch profileren en tegen de ambtenaren gezegd dat zij hem hebben aangehouden vanwege zijn buitenlandse uiterlijk en dat hij dat onterecht vond. De ambtenaar heeft dit ten onrechte als niet meewerken beschreven in zijn verklaring. Op de beelden is duidelijk te horen dat de betrokkene heeft aangegeven geen bezwaar te hebben mee te werken aan de verzochte alcoholcontrole. Indien de betrokkene tijdig was gehoord, had hij dit kunnen vertellen aan de ambtenaren en had de kantonrechter hier ook kennis van kunnen nemen. Dit recht is de betrokkene ontnomen. Gelet hierop is het niet terecht dat de betrokkene alsnog een deel van de sanctie dient te voldoen. De gemachtigde voert daarnaast aan dat de betrokkene ten onrechte is staandegehouden. De betrokkene is van mening dat, wanneer de politie een burger zonder enige aanleiding selecteert en staande houdt, er per definitie sprake is van discriminatie. Een dergelijk beleid en/of gedraging is niet alleen in strijd met artikel 1 van Pro de Grondwet (Gw), maar ook met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er waren ten tijde van de staandehouding van de betrokkene meerdere bestuurders die niet werden staandegehouden. Er is een duidelijk onderscheid gemaakt tussen hen en hem en tot op heden is er voor dit onderscheid geen aannemelijke en gerechtvaardigde verklaring gegeven. Een eerdere veroordeling zou geen reden moeten zijn om de betrokkene willekeurig staande te houden. De betrokkene ontkent daarbij dat hij de kentekenhouder van het voertuig was. De betrokkene heeft slechts enkele keren gebruik gemaakt van het voertuig en daarom twijfelt hij aan de juistheid van de gegevens in het ANPR-systeem. Verder wijst de gemachtigde erop dat de ambtenaren verklaren dat zij geen indicatie hadden dat de betrokkene onder invloed was van enige stof die de rijvaardigheid zou kunnen beïnvloeden, maar ook dat zij de betrokkene hebben aangehouden ter zake van overtreding van artikel 160, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en het plegen van het misdrijf van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit is tegenstrijdig en een bewijs dat de staandehouding van de ambtenaar is geschied op basis van etnisch profileren en van machtsmisbruik door de politie. Ook daarom dient getwijfeld te worden aan de verklaring van de ambtenaar. De gemachtigde voert verder aan dat ook de aanhouding die op de staandehouding volgde onrechtmatig is geweest en dat de betrokkene ten onrechte een hele nacht op het politiebureau heeft doorgebracht. De betrokkene vindt het ook onterecht en onredelijk dat hij de sanctie nog gedeeltelijk dient te voldoen gezien zijn persoonlijke omstandigheden. Financieel zit de betrokkene in een moeilijke periode. Hij kan het gematigde sanctiebedrag nog steeds niet betalen.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 160, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994. Deze bepaling luidt, voor zover hier relevant:
“Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:
a. (…)
b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, (…)
c. (…)
alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen.”
4. Met de term ‘op eerste vordering’, zoals wordt gebezigd in artikel 160 van Pro de WVW 1994, wordt beoogd weggebruikers duidelijk te maken dat aan de desbetreffende vordering onverwijld
gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt (vgl. Hoge Raad, 4 mei 1965,
NJ1965, 294).
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wahv zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant [naam2] , vorderde betrokkene om mee te werken aan het voorlopige onderzoek van uitgeademde lucht. Wij, verbalisanten, hoorden de betrokkene weigeren. Wij hoorden dat hij zei: ‘Ik ga daar niet aan meewerken. Dat recht hebben jullie niet.’
Verklaring betrokkene: verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door verbalisant: Zwijgrecht.”
7. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van bevindingen. Hierin verklaren de ambtenaren als volgt:
“Op woensdag 9 februari 2022, op of omstreeks 2:10 uur, waren wij, verbalisanten [naam2] en
[naam3] , belast met de verkeersurveillance binnen de eenheid Den Haag. (…)
Wij, verbalisanten, bevonden ons op de voor het openbare verkeer openstaande weg, te weten de autosnelweg A12 links, ter hoogte van hectometerpaal 18.8. Wij zagen dat de ANPR in ons dienstvoertuig een hit gaf van een motorrijtuig wat ons zojuist passeerde. Wij zagen dat de zogenaamde hit een kenteken vermeldde. Dit kenteken betrof [kenteken] . Bij navraag van dit kenteken in het register van de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) bleek dit kenteken toe te behoren bij een motorrijtuig, een Opel Corsa, grijs van kleur. In de notities van het ANPR-systeem werd mededeling gedaan dat er sprake was van rijden onder invloed door een bestuurder die gebruik maakte van het motorrijtuig, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] , waarvan de personalia luidden: [de betrokkene] , geboren [in] 1981. Na de bevraging gedaan te hebben, zijn wij de autosnelweg A12 links afgereden, komende uit de richting van Zevenhuizen en gaande in de richting van ’s-Gravenhage.
Op het moment dat wij ons op de hoofdrijbaan van de autosnelweg A12 bevonden ter hoogte van de verzorgingsplaats Knorrestein, zagen wij het voornoemde motorrijtuig over de verzorgingsplaats rijden, in de richting van de toerit naar de hoofdrijbaan van de autosnelweg A12 links. Daarop hadden wij, verbalisanten, besloten om de bestuurder te controleren op het gebruik van alcohol en drugs, alvorens een motorrijtuig te besturen. (…).
Ik, verbalisant [naam3] , sprak de bestuurder aan de bestuurderszijde van zijn motorrijtuig aan en vorderde ter inzage een geldig rijbewijs en een geldige kentekenbewijs van het door hem bestuurde motorrijtuig. Wij, verbalisanten [naam3] en [naam2] , hoorden de bestuurder verklaren dat hij niet wenste mee te werken aan de door verbalisant [naam3] gegeven vordering. (…).
Ik, verbalisant [naam3] , heb vervolgens meerdere keren de bestuurder gevorderd om ter inzage een geldig rijbewijs en een kentekenbewijs van het door hem bestuurde motorrijtuig te overhandigen. Wij, verbalisanten, hoorden de bestuurder verklaren dat hij niet wenste mee te werken aan deze vordering en dat wij geen reden hadden om hem te onderwerpen aan een controle. Ik, verbalisant [naam2] , deelde de bestuurder mede dat wij hem wilden onderwerpen aan een voorlopig onderzoek uitgeademde lucht middels het voorselectie-apparaat Dräger, om uit te sluiten dat hij onder invloed een motorrijtuig zou besturen. Na dit voorlopige onderzoek, zou de bestuurder tevens medewerking moeten verlenen aan een zogenaamde speekseltest om uit te sluiten dat hij mogelijk onder invloed van verdovende middelen een voertuig had bestuurd.
Alvorens wij deze onderzoeken wilden verrichten, dienden wij de identiteit van de bestuurder vast te stellen middels een geldig op zijn naam gesteld rijbewijs.
Wij hoorden dat de bestuurder nergens aan mee wenste te werken en dat wij het alleen gemunt hadden op minderheden, waarbij wij hem hoorden zeggen dat wij racisten waren. Daarbij was zijn mening dat de politie een racistische organisatie is.
Daarop hebben wij de bestuurder gewezen op de consequenties van zijn handelen, zoals het niet voldoen aan bevel of vordering en het niet voldoen aan de verplichting om een geldig legitimatiebewijs te tonen.
Na diverse vorderingen, hebben wij, verbalisanten [naam3] en [naam2] , de bestuurder aangemerkt als verdachte en aangehouden ter zake overtreding van artikel 160, lid 6, Wegenverkeerswet 1994 en het plegen van het misdrijf van artikel 184, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. (…).
Door de ruime tijdspanne waarin wij met de bestuurder in gesprek waren, hadden wij geen indicaties dat de bestuurder onder invloed was van enige stof die de rijvaardigheid zou kunnen beïnvloeden. Wij, verbalisanten, hoorden de verdachte volharden niet mee te werken aan enig onderzoek. Nadat wij de verdachte hadden medegedeeld waarvan hij verdacht werd en dat er proces-verbaal opgemaakt zou worden tegen hem voor de ten laste gelegde feiten, hebben wij verdachte gewezen op zijn rechten, zoals dat hij niet tot antwoorden verplicht was en dat hij voor eigen kosten recht had op consulstatie- en verhoorbijstand door een advocaat. (…).”
8. Op grond van artikel 160, vierde lid, van de WVW 1994 zijn politieambtenaren bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens die wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. Hoewel een concrete aanleiding niet nodig is, is hiervan blijkens het proces-verbaal van bevindingen in dit geval wel sprake geweest. De stelling dat de betrokkene willekeurig is staande gehouden en dat dit niet is toegestaan, kan de betrokkene daarom niet baten. Niet gebleken is dat de ambtenaar in dit geval buiten zijn bevoegdheid is getreden. De enkele stelling dat bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid sprake is geweest van etnisch profileren en/of discriminatie als bedoeld in artikel 1 van Pro de Gw dan wel artikel 8 van Pro het EVRM is onvoldoende om hierover anders te oordelen. De grond dat de staandehouding onrechtmatig was, treft dan ook geen doel. Over de vraag of de daaropvolgende aanhouding rechtmatig is geweest en of de betrokkene terecht een nacht op het politiebureau heeft doorgebracht, kan het hof in het kader van de onderhavige procedure niet oordelen.
9. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden eraan te twijfelen dat de betrokkene niet heeft meegewerkt aan het voorlopige onderzoek van uitgeademde lucht en in dit geval met name de aanwijzingen die in dit kader zijn gegeven. De betrokkene was gevorderd om mee te werken aan een ademtest en hem is in dit verband verzocht eerst zijn rijbewijs en het kentekenbewijs te overleggen alvorens hem te onderwerpen aan de ademtest. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen heeft betrokkene meerdere malen aangegeven niet mee te werken aan de gegeven vordering. Het namens de betrokkene overgelegde videofragment, dat tevens tijdens de zitting van het hof is afgespeeld, ondersteunt de verklaringen van de ambtenaren zoals neergelegd in het
proces-verbaal van bevindingen en geeft geen aanleiding om de betrokkene te volgen in zijn betoog. Uit het voorgaande volgt dat de betrokkene uitdrukkelijk heeft geweigerd op eerste vordering medewerking te verlenen aan het onderzoek en de aanwijzingen die in dit kader door de ambtenaar zijn gegeven. De gedraging kan worden vastgesteld.
10. Naar vaste rechtspraak van het hof heeft de kantonrechter het sanctiebedrag gematigd met 25 procent omdat de betrokkene ten onrechte niet is gehoord door de officier van justitie. De opmerkingen die in dit kader door de gemachtigde zijn gemaakt, geven geen aanleiding het sanctiebedrag nog verder te matigen.
11. De gemachtigde heeft verder - hoewel daartoe ter zitting in de gelegenheid te zijn gesteld - niet aannemelijk gemaakt dat de financiële omstandigheden waarin de betrokkene verkeert aanleiding zouden moeten zijn tot het verder matigen van het sanctiebedrag. De enkele stelling dat de betrokkene in een financieel moeilijke periode zit en het gematigde sanctiebedrag nog steeds niet kan betalen, is hiervoor onvoldoende.
12. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter juist beslist. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.