De zaak betreft een hoger beroep inzake kinderalimentatie tussen de ouders van twee minderjarige kinderen. De vrouw vordert een hogere bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding, betaling van achterstallige alimentatie, terugbetaling van onverschuldigde kindgebonden budgetten en kinderbijslag, en vergoeding van overige kosten. Het hof verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank Overijssel en behandelt de grieven van de vrouw.
Het hof neemt de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen als uitgangspunt voor de berekening van de alimentatie en beoordeelt de draagkracht van de man en vrouw. De draagkracht van de man wordt vastgesteld op basis van een gemiddelde winst over drie jaren en werkelijke woonlasten, die lager zijn dan het forfaitaire woonbudget. De vrouw heeft een draagkracht van €659 per maand. De man heeft tevens onderhoudsplichten voor kinderen uit een geregistreerd partnerschap en een eerder huwelijk van zijn huidige partner.
Het hof wijst de meeste grieven van de vrouw toe, wijzigt de kinderalimentatiebedragen voor verschillende perioden vanaf 4 april 2023 tot en met 1 januari 2025, en bepaalt dat de man €5.000,- aan achterstallige alimentatie aan de vrouw moet voldoen. Tevens wordt de beschikking van de rechtbank Limburg aangepast. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.