De moeder en vader zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2019, die sinds december 2023 onder toezicht staat en verblijft bij pleegouders, de grootvader van moederszijde en diens partner. De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 15 november 2025, hetgeen de kinderrechter heeft toegewezen.
De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof wijst het verzoek tot schorsing af omdat het een eindbeschikking zal geven. Het hof oordeelt dat het kind op dit moment niet bij de moeder kan wonen, mede vanwege een preverbaal trauma en de noodzaak voor rust en traumaverwerking.
De moeder heeft aangegeven hard aan zichzelf te werken en hulp te aanvaarden, maar het hof en de GI achten de ontwikkeling onvoldoende om het kind thuis te plaatsen. De GI houdt wel de mogelijkheid van thuisplaatsing open onder voorwaarden en doelen die de moeder moet bereiken. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en bepaalt dat elke partij haar eigen proceskosten draagt.