Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak verzoekt de man het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking van de rechtbank Gelderland, waarin hij werd veroordeeld tot het betalen van partneralimentatie aan de vrouw. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte het oude wettelijke stelsel toepaste in plaats van het nieuwe stelsel van de Wet herziening partneralimentatie, en dat dit een kennelijke misslag vormt.
Het hof oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag, omdat het niet evident is dat de rechtbank op een onjuiste rechtsopvatting heeft beslist. De discussie over de toepasselijkheid van het oude dan wel nieuwe stelsel behoort tot de inhoudelijke beoordeling in de bodemprocedure. Verder weegt het hof de belangen van partijen af en concludeert dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat zijn belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij handhaving van de beschikking.
Daarnaast veroordeelt het hof de man in de proceskosten van het incident, omdat de procedure voorkomen had kunnen worden en de man door zijn wijze van procederen de vrouw onnodig op kosten heeft gejaagd. De kosten worden vastgesteld op € 2.790,- inclusief griffierecht.
De beschikking wordt uitgesproken door drie raadsheren en griffier op 24 april 2025 in het openbaar.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van de partneralimentatiebeschikking af en veroordeelt de man in de proceskosten.