AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter in bestuursstrafzaak wegens niet behoorlijke oproeping
De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie in een bestuursstrafzaak onder de Wahv. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond. Het hof oordeelde dat de betrokkene niet behoorlijk was opgeroepen voor de zitting, omdat de oproep was gestuurd naar een postadres waar hij niet bereikbaar was, terwijl een e-mailadres bekend was.
Het hof liet het appelverbod buiten toepassing wegens schending van fundamentele rechtsbeginselen en vernietigde de beslissing van de kantonrechter. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep zelf en verklaarde het ongegrond omdat de betrokkene geen gronden voor het beroep had ingediend, ondanks een verzoek daartoe.
Het hof benadrukte dat de betrokkene verantwoordelijk is voor bereikbaarheid tijdens de procedure en dat de officier van justitie terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. De opgelegde sancties werden door het CJIB ongedaan gemaakt.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter wegens niet behoorlijke oproeping en verklaart het beroep tegen de officier van justitie ongegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.343.958/01
CJIB-nummer
: 250314517
Uitspraak d.d.
: 16 april 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. F. Aamri, kantoorhoudende te Utrecht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 2 april 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
De beoordeling
1. Artikel 14 vanPro de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. Van geen van deze situaties is sprake. De sanctie bedraagt € 100,- en het beroep is ongegrond verklaard.
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het appelverbod niet altijd strikt dient te worden gehanteerd en verwijst hierbij naar een aantal arresten van dit hof (ECLI:NL:GHARL:20186402, ECLI:NL:GHARL:2023:4737 en ECLI:NL:GHARL:2024:1846). Met name indien fundamentele rechtsbeginselen in het geding zijn kan het hof het appelverbod buiten toepassing laten. Volgens de gemachtigde is dat in het onderhavige geval aan de orde. De gemachtigde stelt onder meer dat de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord door een onafhankelijke rechter. Er is daarmee sprake van een duidelijke schending van de fundamentele rechtsbeginselen en van artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. In artikel 6 vanPro het EVRM ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
5. Met betrekking tot de vraag of de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter stelt het hof vast dat de brief van de griffier van de rechtbank van 2 mei 2023 waarbij de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 22 mei 2023, is gezonden naar het adres [adres1] in [woonplaats] . In het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 3 november 2022 had de betrokkene omtrent zijn bereikbaarheid in de beroepsprocedure gemeld dat het adres [adres1] in [woonplaats] niet zijn adres is, hij is momenteel dakloos en is bij de gemeente Utrecht aan het regelen of hij een woning kan krijgen of een briefadres. Het adres [adres1] in [woonplaats] is van de gemeente Utrecht, aldus de betrokkene. Verder verzoekt de betrokkene om het dossier te mailen naar een in het beroepschrift genoemd e-mailadres.
6. Ter zitting van het hof is door de gemachtigde toegelicht dat de betrokkene een gedeelte van 2022 en 2023 geen vast woonadres had. Zijn post werd verstuurd naar zijn postadres aan de [adres2] in [woonplaats] maar door een conflict met de huurder van dat adres ontving hij de post niet. Van de beslissingen die via het CJIB werden verzonden kon hij digitaal kennis nemen. Tegen die beslissingen kon hij tijdig rechtsmiddelen aanwenden. Van de overige correspondentie kon hij geen kennis nemen. De gemachtigde heeft een brief van 24 januari 2023 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht overgelegd. Daarbij heeft het college, na onderzoek waarbij is vastgesteld dat de betrokkene niet woonachtig was op het adres [adres2] in [woonplaats] , besloten om in de Basis Registratie Personen (BRP) op te nemen dat de betrokkene sinds 13 december 2022 is vertrokken naar adres onbekend. Ingaande 15 juni 2023 is de betrokkene ingeschreven op het adres [adres3] in [woonplaats] .
7. Het hof stelt vast dat het in het beroepschrift genoemde e-mailadres het adres is waarop de betrokkene in mei 2023 bereikbaar was. Uit het beroepschrift kan verder worden begrepen dat post de betrokkene vrijwel zeker niet zou bereiken op het in het beroepschrift genoemde postadres. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de griffier van de rechtbank gelegen om de oproeping voor de zitting van de kantonrechter naar dat e-mailadres te sturen dan wel, indien dat niet tot de mogelijkheden behoorde, met de betrokkene via dit e-mailadres contact op te nemen om te bespreken op welke andere wijze de betrokkene voor de zitting van de kantonrechter kon worden opgeroepen. Dat is niet gebeurd. De betrokkene is aldus niet behoorlijk opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Het hof laat het appelverbod buiten toepassing.
8. Met betrekking tot de tijdigheid van het hoger beroep overweegt het hof dat de beslissing van de kantonrechter is verzonden naar het adres [adres1] in [woonplaats] . Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen moet worden vastgesteld dat op deze wijze de bekendmaking van de beslissing niet kon geschieden, maar dat bekendmaking van het besluit op een andere geschikte wijze, namelijk via het e-mailadres dat de betrokkene in het beroepschrift had genoemd, aangewezen was. Dit betekent dat nu niet kan worden vastgesteld wanneer de termijn voor het instellen van hoger beroep een aanvang heeft genomen, met het op 19 juli 2024 ingekomen beroepschrift tijdig hoger beroep is ingesteld.
9. Nu de betrokkene niet op juiste wijze is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
10. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om gronden aan te voeren.
11. Het hof stelt vast dat de betrokkene op 18 juli 2022 via het Digitaal Loket verkeer beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking. Het beroepschrift bevat geen gronden. Dat is wel verplicht (artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht). De officier van justitie heeft de betrokkene bij brief van 23 augustus 2022 hierop gewezen en de gelegenheid gegeven om binnen een termijn van vier weken gronden in te dienen. Daarbij is gemeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als geen gronden worden ingediend. Deze brief is verstuurd naar het adres [adres2] , [woonplaats] . Dat is het adres waarop de betrokkene op dat moment in de BRP stond ingeschreven. De inleidende beschikking was op 29 juni 2022 ook naar dat adres verzonden. In het administratief beroepschrift is geen ander adres vermeld waar de betrokkene bereikbaar is noch heeft de betrokkene in dat beroepschrift of daarna (vóór 23 augustus 2022) melding gemaakt van problemen met zijn bereikbaarheid.
12. Het hof stelt voorop dat het tot de verantwoordelijkheid van een betrokkene die op grond van de Wahv rechtsmiddelen aanwendt behoort om gedurende de procedure waarin dat rechtsmiddel wordt behandeld, bereikbaar te zijn voor correspondentie in die procedure. Dat brengt mee dat indien een betrokkene geen woonadres heeft, hij ervoor dient te zorgen dat hij over een ander correspondentieadres beschikt of een gemachtigde vraagt om zijn belangen te behartigen, in welk geval de correspondentie naar die gemachtigde wordt gezonden. De betrokkene dient ervoor te zorgen dat de instantie die het rechtsmiddel behandelt, daarover wordt geïnformeerd. Indien een betrokkene -in uitzonderlijke omstandigheden- redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht om over een (ander) correspondentieadres te beschikken of een gemachtigde in te schakelen, mag worden verwacht dat hij met de instantie die het rechtsmiddel behandelt in contact treedt om de situatie uit te leggen teneinde tot een oplossing inzake de bereikbaarheid te kunnen komen.
13. De officier van justitie heeft de brief van 23 augustus 2022 op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. De gevolgen daarvan, dat de betrokkene van de inhoud daarvan geen kennis heeft kunnen nemen komen voor zijn rekening nu niet aannemelijk is geworden dat niet één van de hierboven genoemde alternatieven voor de betrokkene tot de mogelijkheden behoorde, in het bijzonder dat de betrokkene niet in het administratief beroepschrift of daarna melding heeft kunnen maken van problemen met zijn bereikbaarheid.
14. De officier van justitie heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard nu de betrokkene de gronden van het beroep niet heeft opgegeven. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de inleidende beschikking en de hoogte van de sanctie. Met betrekking tot de grond dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden overweegt het hof dat de officier van justitie in dit geval, op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder a, van de Awb, ervan heeft kunnen afzien om de betrokkene te horen, aangezien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van de gronden van het beroep.
15. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
16. Het hof merkt nog op dat de advocaat-generaal ter zitting heeft aangegeven het CJIB te hebben opgedragen om de opgelegde verhogingen ongedaan te maken.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.