Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:2266

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
200.350.545/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen en beoordeling opvoedperspectief

In deze zaak staat de uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen centraal. De ouders hebben gezamenlijk gezag, maar sinds februari 2024 is hun relatie verbroken. Na een negatieve ouderschapsbeoordeling van beide ouders en een crisis in het gezin, zijn de kinderen in september 2024 met spoed in een gezinshuis geplaatst. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter die de uithuisplaatsing tot december 2025 heeft verlengd en is in hoger beroep gegaan.

Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder het beroepschrift, het verweerschrift van de raad en de GI, en heeft de moeder, de GI en de raad gehoord. Het hof concludeert dat de kinderrechter een zorgvuldige en gemotiveerde beslissing heeft genomen en dat de moeder voldoende kansen heeft gehad om te laten zien dat zij voor de kinderen kan zorgen. De langdurige hulpverlening en de crisis in het gezin tonen aan dat de opvoedsituatie zorgelijk is en dat de moeder door haar beperkingen onvoldoende in staat is om aan de opvoedbehoefte van de kinderen te voldoen.

Hoewel de moeder aangeeft dat haar situatie is verbeterd en dat de omgang met de kinderen positief verloopt, acht het hof het niet realistisch dat zij de kinderen op dit moment de benodigde zorg kan bieden. De kinderen verblijven in een gezinshuis waar zij het naar omstandigheden goed hebben. Het hof volgt de lijn van de raad en de GI dat terugkeer naar de moeder niet in het belang van de kinderen is en dat de ondertoezichtstelling nog nodig is om de rol van de moeder verder te onderzoeken.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af. De samenwerking tussen moeder en GI wordt als positief beoordeeld en het hof acht het niet wenselijk om in deze fase een gezagsbeëindigende maatregel te verzoeken, omdat dit de samenwerking en het onderzoek naar omgangsuitbreiding zou kunnen schaden.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de uithuisplaatsing van de kinderen en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.545/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 197384)
beschikking van 10 april 2025
in het hoger beroep van:
[verzoekster](de moeder),
woonplaats: [woonplaats1] ,
advocaat: mr. K.E. Wielenga (in Leeuwarden).
Belanghebbenden zijn:
(1)
de raad voor de kinderbescherming,
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,
(2) de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
,
(in Amsterdam),
(3)
[de vader](de vader),
woonplaats: [woonplaats1] ,
advocaat: mr. S. Vaupell (in Wolvega).

1.Onderwerp

Het gaat in deze zaak om de uithuisplaatsing van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2017, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020
(hierna tezamen ook: de kinderen).

2.Belangrijke informatie

2.1
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. Dat betekent dat de ouders samen belangrijke beslissingen over de kinderen kunnen nemen. De moeder heeft nog twee oudere zoons. Die wonen volledig bij hun vader.
2.2
De ouders en de kinderen zijn in de periode van december 2023 tot februari 2024 als gezin opgenomen geweest bij [naam1] voor een ouderschapsbeoordeling. De relatie van de ouders is in februari 2024 verbroken. Vanaf dat moment verbleef de moeder doordeweeks met de kinderen bij [naam1] en de vader in de weekenden. In maart 2024 heeft [naam1] de moeder een negatieve ouderschapsbeoordeling gegeven. Vanaf toen verbleef de vader doordeweeks met de kinderen bij [naam1] . In augustus 2024 heeft [naam1] de vader ook een negatieve ouderschapsbeoordeling gegeven.
2.3
De kinderen staan sinds 12 september 2024 (voorlopig) onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling duurt nog tot 6 december 2025.
2.4
De kinderen zijn op 13 september 2024 met spoed in een gezinshuis geplaatst. Per
13 december 2024 zijn zij overgeplaatst naar een gezinshuis van [naam2] .
2.5
De ouders bezoeken de kinderen onder begeleiding in het gezinshuis. Voor de moeder geldt een regeling van een keer per week twee uren en voor de vader geldt een regeling van een keer per twee weken twee uren.

3.De beslissing van de kinderrechter

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op
11 december 2024 op verzoek van de raad een beslissing over de uithuisplaatsing genomen. De kinderrechter heeft beslist, voor zover van belang, dat de kinderen moeten wonen in een gezinshuis (een machtiging uithuisplaatsing verleend) tot 6 december 2025.

4.Het hoger beroep

De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter wat betreft de beslissing dat de kinderen moeten wonen in een gezinshuis. Zij is in hoger beroep gegaan. Zij vindt dat het hof het verzoek van de raad om de kinderen uit huis te plaatsen alsnog moet afwijzen of in ieder geval de duur van de uithuisplaatsing moet bekorten.

5.De rechtszaak bij het hof

5.1
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift van 30 januari 2025 met bijlage(n);
- een brief van de GI van 25 februari 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de raad met bijlage(n);
- een e-mailbericht van 12 maart 2025 namens de vader.
5.2
Het hof heeft [de minderjarige1] uitgenodigd om haar mening over de zaak te geven, maar zij heeft laten weten dat zij niet wil komen en ook niets wil schrijven.
5.3
De zitting bij het hof was op 13 maart 2025.
Aanwezig waren:
- de moeder, met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, en
- een vertegenwoordiger van de raad.

6.De redenen voor de beslissing

6.1
Het hof vindt dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen over de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen en deze beslissing zorgvuldig en uitgebreid heeft gemotiveerd. In wat de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om anders te beslissen. Het hof vindt dat de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing van de kinderen moet blijven gelden. Het hof zal die beslissing daarom bekrachtigen. Het hof voegt nog het volgende toe.
6.2
De moeder vindt dat zij geen eerlijke kans heeft gekregen om te laten zien dat zij goed genoeg voor de kinderen kan zorgen. De moeder vindt het onterecht dat zij wordt afgerekend op de 2,5 maand die zij met de kinderen was opgenomen bij [naam1] , terwijl die periode geen goed beeld geeft van haar mogelijkheden als opvoeder. Dat laatste komt volgens de moeder omdat zij bij [naam1] veel spanning en stress had door de vader en hun (dreigende) relatiebreuk.
Het hof stelt vast dat de moeder niet de verzorging en opvoeding draagt van haar oudste twee minderjarige kinderen. Over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] staat in de stukken dat er vanaf de geboorte al zorgen zijn over hun verzorging en opvoeding en de belastbaarheid van de ouders. Vanaf 2017 heeft het gezin steeds jeugdhulpverlening gehad. Tot aan de gezinsopname bij [naam1] in december 2023 zijn in de loop der jaren in ieder geval [naam3] , [naam4] en [naam5] betrokken geweest. Toen de kinderen nog thuis woonden stond de moeder zelf onder behandeling van de GGZ. Alle ingezette, steeds intensievere hulp heeft echter niet genoeg verbetering in de opvoedsituatie kunnen brengen. Het lukte de ouders niet om voldoende te groeien in het ouderschap en de ontwikkeling van de kinderen verliep steeds zorgelijker. Het was al voor de opname bij [naam1] dat de hulpverlening grote zorgen had over de gezondheid en belastbaarheid van de moeder die een licht verstandelijke beperking heeft. Zij had in die tijd veel lichamelijke klachten en was psychisch weinig stabiel. Toen zich eind 2023 ook nog een incident voordeed tussen de vader en de moeder heeft [naam5] , die toen al twee jaar betrokken was bij het gezin, een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis. In reactie op de boodschap van de vader dat hij de relatie wilde verbreken had de moeder thuis een suïcidepoging gedaan. De crisisdienst moest eraan te pas komen. De kinderen waren op dat moment in de woning. [naam5] meldde – kort gezegd – dat vanuit onmacht sprake is van een structureel verwaarlozende opvoedomgeving. Kort daarop is de gezinsopname gestart.
Het hof vindt dat de moeder voordat zij bij [naam1] kwam al ruimschoots de kans heeft gehad om te laten zien dat zij goed genoeg voor de kinderen kan zorgen. De opname bij [naam1] heeft eigenlijk alleen maar bevestigd wat de ambulante hulpverlening in de jaren daarvoor al had geconstateerd. Hoewel er veel liefde zichtbaar is tussen de moeder en de kinderen, overstijgt de opvoedbehoefte van de kinderen de persoonlijke mogelijkheden van de moeder. Wat het extra lastig maakt om tot verandering te komen, is dat de moeder mogelijk juist vanwege haar beperkingen geen inzicht toont in haar eigen problematiek en ook niet in wat de kinderen nodig hebben om zich gezond te kunnen ontwikkelen. Als de kinderen weer bij haar thuis zouden komen wonen accepteert de moeder weliswaar controle van de hulpverlening als dat nodig wordt gevonden, maar zelf vindt zij niet dat zij hulpverlening nodig heeft bij de opvoeding van de kinderen, zo gaf zij ter zitting aan. Gezien de belaste voorgeschiedenis van dit gezin vindt het hof dat een zorgelijk signaal.
Het hof constateert verder nog dat de moeder haar laatste maand bij [naam1] alleen met de kinderen heeft doorgebracht en dat de vader toen geen aanwezige stressfactor meer was.
6.3
De moeder stelt dat het nu goed gaat met haar. Sinds de relatie met de vader voorbij is ervaart zij meer rust en staat zij sterker in haar schoenen. Haar lichamelijke en psychische problemen zijn volgens haar zo goed als over. De bewindvoerder heeft haar financiën op orde gebracht. De moeder zegt verder geen hulpverlening meer te hebben. Omdat het zo goed met haar gaat, wil de moeder de kinderen nu zo snel mogelijk terug. De kinderen willen volgens de moeder ook niets liever dan terug naar huis. De argumenten van de moeder dat het op dit moment veel beter met haar gaat dan eerder het geval was en dat de omgang met de kinderen positief verloopt, geven het hof geen aanleiding om anders te beslissen dan de kinderrechter heeft gedaan. De huidige persoonlijke situatie van de moeder waarin zij zegt alle tijd, rust en ruimte te hebben is niet te vergelijken met de meer stressvolle situatie waarin zij dag en nacht de verantwoordelijkheid heeft voor twee jonge kinderen. Het meer stabiele beeld dat de moeder nu kan laten zien past bij de bevindingen van [naam1] dat de moeder overvraagd werd toen zij 24/7 beschikbaar moest zijn voor de kinderen. Dat de moeder tijdens de omgangsmomenten beter in staat lijkt om bij de kinderen aan te sluiten past ook bij de verwachting van de hulpverlening dat de moeder voor korte(re) duur geduldig(er) kan zijn met de kinderen.
6.4
De kinderen laten een verzwaarde opvoedvraag zien. Voor het eerste gezinshuis was hun gedrag zelfs te ingewikkeld om daar te kunnen blijven. Het gaat nu naar omstandigheden goed met de kinderen en zij hebben het naar hun zin in het huidige gezinshuis. De moeder erkent dat. Ook al is hun gedrag inmiddels een stuk rustiger geworden, maar zij hebben nog wel veel aandacht en begeleiding nodig. Beide meisjes hebben ook nog therapie nodig om alles wat zij hebben meegemaakt te verwerken. Gelet op de ervaringen in het verleden acht het hof het niet realistisch dat de moeder de kinderen nu ineens wel zou kunnen bieden wat zij vragen van hun opvoeder. Het hof kan zich daarom vinden in de door de raad en de GI uitgezette lijn dat de kinderen niet meer terugkeren naar de moeder. De GI heeft de resterende duur van de ondertoezichtstelling nodig om uit te zoeken hoe de rol van de moeder in het leven van de kinderen eruit kan komen te zien. Daarbij ziet zowel de raad als de GI uitbreiding van de omgang naar een weekendregeling voor de moeder als het hoogst haalbare. De raad heeft ter zitting goed kunnen uitleggen waarom het op dit moment (nog) niet in het belang van deze kinderen is om een gezagsbeëindigende maatregel te verzoeken, ook al wordt er niet meer gewerkt aan thuisplaatsing, wat in het kader van de ondertoezichtstelling wel de bedoeling van de wetgever is. Hoewel de moeder een andere kijk op het toekomstperspectief van de kinderen heeft, is zij tot nu toe wel in staat om goed met de GI samen te werken. Dat is buitengewoon knap van de moeder en zeker ook in het belang van de kinderen. De dreiging van een gezagsbeëindigende maatregel zou in deze fase de samenwerking tussen de moeder en de GI mogelijk alleen maar onder druk zetten. Dat zou averechts kunnen werken op het onderzoek naar de uitbreidingsmogelijkheden van de omgang die nu positief verloopt.

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 december 2024, waarover de moeder een beslissing heeft gevraagd;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
A.K. Oostlander-Vos, in samenwerking met mr. D.M. Welbergen, griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025.