Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het bereiden van harddrugs en het voorhanden hebben van grondstoffen en voorwerpen voor de productie daarvan.
Het hof bevestigde de bewezenverklaring en oordeelde dat sprake is van meerdaadse samenloop, waarbij het vervaardigen van metamfetamine en het bezit van grondstoffen en apparatuur als afzonderlijke feiten gelden. De rechtbank had een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, maar het hof wijzigde dit in 36 maanden gevangenisstraf met 30 maanden voorwaardelijk.
De strafoplegging houdt rekening met de ernst van de feiten, de professionele inrichting van het drugslab, de schadelijke effecten van synthetische drugs en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder ernstige brandwonden door een explosie en een positieve ontwikkeling sinds januari 2023.
Daarnaast gelast het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken, maar vervangt deze door een taakstraf van 28 uur onbetaalde arbeid, subsidiair 14 dagen hechtenis, gezien de gewijzigde persoonlijke omstandigheden.
Het vonnis werd op 1 april 2025 uitgesproken door het hof te Leeuwarden, waarbij het vonnis van de rechtbank in zoverre werd vernietigd dat de straf werd aangepast.