In deze strafzaak gaat het om het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, die het OM niet-ontvankelijk verklaarde in de vervolging van verdachte wegens schendingen van het verschoningsrecht van ouderlingen binnen de Christelijke Gemeente van de Jehova’s Getuigen.
De zaak betreft ernstige beschuldigingen van seksueel misbruik over verschillende periodes en slachtoffers. Het politieonderzoek startte in 2018 na aangifte van een slachtoffer, waarbij onder meer brieven van verdachte en stukken verkregen via AVG-verzoeken een rol speelden. Tijdens het onderzoek werden documenten in beslag genomen bij ouderlingen, waarna een langdurige beklagprocedure volgde over het verschoningsrecht van deze ouderlingen. De Hoge Raad oordeelde in 2021 dat ouderlingen in uitzonderlijke gevallen verschoningsgerechtigd kunnen zijn en verwees de zaak terug naar de rechtbank.
De rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk wegens ernstige en voortdurende inbreuken op het verschoningsrecht. Het hof oordeelt echter dat het verschoningsrecht niet zonder meer van toepassing was op alle stukken en dat het OM na rechterlijke beslissingen het dossier substantieel heeft opgeschoond. Het hof concludeert dat de niet-ontvankelijkverklaring niet gehandhaafd kan blijven en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling.
De beoordeling van het verschoningsrecht blijft complex en moet per stuk worden vastgesteld. Het hof benadrukt dat niet-ontvankelijkverklaring slechts in uitzonderlijke gevallen passend is, en dat eventuele vormverzuimen kunnen worden gecompenseerd door opschoning of bewijsuitsluiting. De zaak wordt derhalve terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.