Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
- journaalberichten namens de vrouw van 17 oktober 2024, 29 oktober 2024, 31 oktober 2024, 4 november 2024 en 31 januari 2025, steeds met een of meer producties en veelal met een begeleidende brief van dezelfde datum, en
- journaalberichten namens de man van 21 oktober 2024, 29 oktober 2024, 4 november 2024, 29 januari 2025 en 31 januari 2025, ook steeds met een of meer producties en een begeleidende brief van dezelfde datum.
2.De motivering van de beslissing
- op 27 oktober 2022 heeft de man de AOW gerechtigde leeftijd bereikt en – zoals hierna zal blijken onder rechtsoverweging 2.7 – heeft zich een wijziging voorgedaan die gevolgen heeft voor de behoeftigheid van de vrouw (periode II), en
- op of omstreeks 1 januari 2024 heeft de man de aandelen van [naam1] B.V. (50%) in [naam2] B.V. verkocht (Periode III).
- in periode I: € 3.837,- bruto per maand;
- in periode II: € 2.238,- bruto per maand en
- in periode III: € 2.580,- bruto per maand.
- € 764,- bruto per maand met ingang van 9 april 2020 (geïndexeerd per 1 januari 2021 € 787,- en per 1 januari 2022 € 802,-);
- € 1.583,- bruto per maand met ingang van 27 oktober 2022 (geïndexeerd per 1 januari 2023 € 1.637,-) en
- € 1.212,- bruto per maand met ingang van 1 januari 2024 (geïndexeerd per 1 januari 2025 € 1.291,-).
3.Aanhechten berekeningen
4.De slotsom
5.De beslissing
- met ingang van 9 april 2020 € 764,- bruto per maand;
- met ingang van 1 januari 2021 € 787,- bruto per maand;
- met ingang van 1 januari 2022 € 802,- bruto per maand;
- met ingang van 27 oktober 2022 € 1.583,- bruto per maand;
- met ingang van 1 januari 2023 € 1.637,- bruto per maand;
- met ingang van 1 januari 2024 € 1.212,- bruto per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 € 1.291,- bruto per maand en
- met ingang van 1 mei 2025, althans met ingang van de eerste dag nadat de vrouw het bedrag van € 54.000,- volledig heeft voldaan indien die betaling plaatsvindt ná 1 mei 2025, € 2.181,- bruto per maand,