ECLI:NL:GHARL:2025:1668
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis na veroordeling
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 12 maart 2025 een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte behandeld. Verdachte verbleef in het huis van bewaring en vroeg via zijn advocaat om schorsing van de voorlopige hechtenis. De advocaat-generaal verzette zich gemotiveerd tegen dit verzoek.
De voorlopige hechtenis was eerder door de rechtbank enige tijd geschorst, maar deze schorsing was opgeheven bij vonnis nadat de rechtbank op 27 januari 2025 de feiten bewezen had verklaard en een straf had opgelegd die de tijd in voorarrest oversteeg. Het hof overwoog dat de onzekerheden die destijds de belangenafweging beïnvloedden nu zijn weggenomen, waardoor het strafvorderlijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van verdachte.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het voorbereiden van zijn verdediging, gezin en werk, werden door het hof niet als zodanig zwaarwegend beoordeeld dat zij een schorsing konden rechtvaardigen. Het hof baseerde zijn beslissing op artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering en het Europeesrechtelijk kader van artikel 5, lid 1 sub c EVRM, dat na veroordeling niet meer van toepassing is.
Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af en laat de voorlopige hechtenis voortduren.