Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hof
4.De beslissing
dinsdag 8 april 2025voor het nemen van de memorie van antwoord door [geïntimeerde] ;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante en geïntimeerde hadden een affectieve relatie en waren gezamenlijk eigenaar van negen verhuurde woningen. Na hun relatiebeëindiging vorderde appellante in hoger beroep inzage in de huuropbrengsten en lasten van deze verhuurportefeuille vanaf 1 januari 2022.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat partijen een rechtsgeldige verdeling van de panden hadden bereikt, waarbij geïntimeerde acht panden kreeg en appellante één, inclusief een overeengekomen betaling van € 60.000,-. Appellante stelde dat de huuropbrengsten nog verdeeld moesten worden en vorderde inzage in financiële gegevens als provisionele voorziening.
Het hof oordeelde dat de gevorderde inzage geen voorlopige voorziening is in de zin van artikel 223 Rv Pro, omdat deze niet tijdelijk is voor de duur van het bodemgeschil. Wel werd de vordering als incidentele vordering op grond van artikel 3:173 BW Pro aangemerkt, maar afgewezen omdat de rechtbank al een regeling had getroffen en de inzage pas relevant is als appellante slaagt in haar grieven.
De zaak wordt verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling, en de beslissing over de kosten wordt gereserveerd tot de einduitspraak.
Uitkomst: De provisionele vordering tot inzage in verhuurportefeuillegegevens wordt afgewezen; verdere procedure wordt voortgezet in de hoofdzaak.