De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 323,- voor:
“31 per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A3)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2022 om 20:00 uur op de A4 in Rijswijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte meer betekenis heeft toegekend aan de verklaring van de ambtenaar. De verklaring van de betrokkene bevat namelijk meer details dan de verklaring van de ambtenaar. Het is de betrokkene die komt met de stappen waarop de matrixborden de maximumsnelheid wisselt. De betrokkene heeft zijn verklaring ook niet hoeven corrigeren, zoals de ambtenaar. De situatie stond het daarnaast niet toe om een andere snelheid aan te houden dan het verkeer voor en achter de betrokkene en links en rechts van hem. De verklaring van de ambtenaar wekt ten onrechte de indruk van een lege weg. De gemachtigde verzoekt om de ambtenaar op te roepen als getuige.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door de bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen.
Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 110.
Snelheid volgens kalibratietabel: 105.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 101.
Toegestane snelheid: 70.
Overschrijding met: 31.
Meetafstand: 1000 m.
Tussenafstand: 100 m.
Ter hoogte van hectometerpaal 50L.
Opmerkingen ambtenaar 1: Verbalisant reed op de A4 links. Toen verbalisant de A4 opreed vanaf de Prinses Beatrixlaan werd hij gepasseerd door de betrokkene (de betrokkene reed op rijstrook 1). Daarop heeft verbalisant het voertuig gevolgd. Bij hmp 50.0 stond een pechgeval op de vluchtstrook strak aan rijstrook 3. Omdat daar een pechgeval stond stonden de matrixborden al ruim voor hmp 50,0 aan, met daarop de snelheid 70 km per uur. De matrixboden gingen pas uit bij hmp 50.8. Verbalisant heeft de betrokkene gevolg op een afstand van zeker 1000 meter met een tussenafstand van 100 meter. Motorfiets is geijkt.
Verklaring betrokkene: geen verklaring.”
5. Het dossier bevat een proces-verbaal van 21 februari 2023. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:
“Op dag, datum en tijdstip was ik, verbalisant, bezig met een surveillance op de autosnelweg de A4. Ik, verbalisant, reed op de A4 L in de richting van Amsterdam. Op dag, datum en tijdstip waren de matrixborden aangezet, daar er bij hmp 50.0 L een pechgeval stond. Ik, verbalisant, wist dat daar een pechgeval stond omdat mijn collega’s zich daar hadden uitgemeld om de betreffende bestuurder te helpen. Toen ik, verbalisant, van het pechgeval hoorde reed ik ter hoogte van hmp 52.0 L, alwaar ik de afslag nam richting Prinses Beatrixlaan. Ter hoogte van hmp 51.5 L, viaduct Beatrixlaan zag ik, verbalisant, dat de matrixborden op 70 km/h stonden. De matrixborden stonden aan op beide rijstroken. De matrixborden waren in het donker duidelijk te zien, daar ze verlicht waren. Toen ik, verbalisant, de afrit nam, besloot ik rechtdoor weer de A4 op te gaan. Toen ik, verbalisant, de oprit van de A4 op kwam rijden, zag ik links van mij het voertuig van de betrokkene mij passeren (dat was bij hmp 51.3 L). Daarop heb ik, verbalisant, vanaf hmp 51.0 het voertuig gelijk gevolgd. Voor mij en de betrokkene bevond zich op dat moment geen ander voertuig. Ik, verbalisant, heb het voertuig gevolgd over een afstand van 1000 meter met een tussenafstand van 100 meter. Daarbij reed de betrokkene met een snelheid van 110 km/h, die ik had afgelezen van mijn boordsnelheidsmeter. Op mijn boordsnelheidsmeter stond 110 km/h, wat volgens de ijktabel (die ik bijgevoegd heb) 105 echte kilometers zijn. Met een wettelijke correctie eraf komt de betrokkene uit op 101 km/h. Dat maakt een snelheidsovertreding van 31 km/h te hard. Ik volgde de betrokkene over rijstrook 1. De matrixborden gingen pas uit bij hmp 49.8 L. Abusievelijk heb ik, verbalisant, in mijn proces-verbaal geschreven dat bij hmp 50.8 L de maxtrixborden uit zijn gegaan, dit moet zijn hmp 49.8 L.”
6. De advocaat-generaal heeft informatie van Rijkswaterstaat overgelegd over de instellingen van de matrixborden rond het tijdstip van de gedraging. Voor rijstrook 1 (de rijstrook van de betrokkene) geldt het volgende:
Bij 52.018 geen beperkingen;
Bij hmp 51.459 vanaf 20:00:05 90 km/h;
Bij hmp 50.798 vanaf 19:54 90 km/h;
Bij hmp 50.523 vanaf 19:54 90 km/h, vanaf 20:00:05 70 km/h;
Bij hmp 49.840 vanaf 19:54 90 km/h, vanaf 20:00:06 70 km/h;
Bij hmp 49.370 vanaf 19:54 einde alle verboden.
7. Gelet op de informatie van Rijkswaterstaat moet getwijfeld worden aan de verklaring van de ambtenaar dat ter hoogte van hmp 51.5 de matrixborden op 70 km/h stonden. De betrokkene voert aan dat sprake was van snel wisselende snelheden en dat op enig moment ook 70 km/h gold. Het hof acht dit, gelet op de informatie van Rijkswaterstaat, aannemelijk. Of en waar de betrokkene dit bord is gepasseerd, kan echter niet worden vastgesteld op basis van de gegevens in het dossier. Op het meettraject van 51.0 tot 50.0 gold de maximumsnelheid van 70 km/h mogelijk (nog) niet ten tijde van het vaststellen van de gedraging. Het zou, gelet op het tijdstip van de gedraging, kunnen dat de betrokkene het bord met daarop de maximumsnelheid 70 km/h pas bij hmp 49.840 is gepasseerd. Dit brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
8. De advocaat-generaal stelt voor de feitcode te wijzigen omdat kan worden vastgesteld dat de betrokkene over een afstand van ongeveer 550 meter, van hmp 50.548 tot 50.0, 101 km/h reed, terwijl 90 km/h was toegestaan. De advocaat-generaal houdt er hierbij rekening mee dat ambtenaren pas na 250 meter na het ingaan van de maximumsnelheid van 90 km/h mogen uitgaan van de gewijzigde snelheid gelet op de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen.
9. Het hof zal niet overgaan tot wijziging van de feitcode. Er is sprake van wisselende maximumsnelheden. Niet alleen de locatie van de meting, maar ook het tijdstip waarop de meting is verricht is van belang. De verklaring van de ambtenaar bevat onvoldoende gedetailleerde informatie over tijden en locaties. De ambtenaar verklaart over hectometers en minuten, terwijl in dit geval, gelet op de informatie van Rijkswaterstaat, informatie in meters en seconden nodig is om te kunnen vaststellen dat en met hoeveel kilometer de maximumsnelheid is overschreden.
10. De inleidende beschikking kan naar het oordeel van het hof niet in stand blijven. Gegeven deze beslissing is er geen reden de ambtenaar als getuige te horen. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter, het indienen van het beroepschrift bij het hof en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal vijf punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 2.137,50 (= (1 x € 647,- x 0,5) + (4 x € 907,- x 0,5)).