De moeder en de gecertificeerde instelling (GI) zijn betrokken bij een geschil over de zorgregeling voor hun minderjarige kind, geboren in 2016, dat onder toezicht staat van de GI en een traumabehandeling ondergaat.
De rechtbank had de zorgregeling beperkt tot eenmaal per vier weken contact tussen moeder en kind gedurende de traumabehandeling, in plaats van eenmaal per twee weken zoals eerder vastgesteld. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beperking en verzocht om uitbreiding van het contact.
Het hof overweegt dat de beperking noodzakelijk is in het belang van het kind, dat veel traumatische ervaringen heeft gehad, meerdere keren uithuisgeplaatst is en moeite heeft met het schakelen tussen verschillende omgevingen. De huidige zorgregeling is minder belastend en bevordert het slagen van de traumabehandeling. Uitbreiding van het contact zou de draagkracht van het kind overschrijden.
Daarnaast zijn er zorgen over de veiligheid en spanningen in de thuissituatie bij de moeder, mede door bedreigingen aan het adres van de GI en de raad. Het ontbreken van samenwerking tussen moeder, haar partner en de GI vormt een contra-indicatie voor uitbreiding.
Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de moeder af.