ECLI:NL:GHARL:2024:7927

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
21-000964-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit bouwen valse websites

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene werd vastgesteld op €6.500.

De betrokkene werd verdacht van het bouwen van dertien valse websites, waarvoor een vergoeding van €500 per website werd aangenomen. De verdediging voerde aan dat niet altijd deze vergoeding werd ontvangen en dat gemaakte kosten niet waren meegenomen, maar het hof verwierp deze verweren wegens gebrek aan concrete onderbouwing.

Het hof concludeerde dat de rechtbank op juiste wijze het wederrechtelijk verkregen voordeel had vastgesteld en bevestigde het vonnis, met een nadere motivering naar aanleiding van de aangevoerde bezwaren in hoger beroep.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ontnemingsvordering tot een bedrag van €6.500 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000964-23
Uitspraak d.d.: 23 december 2024
Tegenspraak
Ontnemingszaak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2023 met het parketnummer 18-850019-19 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, inzake

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna te noemen: de betrokkene.

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 9 december 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene zal vaststellen op een bedrag van € 6.500,- en de terugbetalingsverplichting van de betrokkene aan de Staat zal vaststellen op datzelfde bedrag.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens de betrokkene door zijn raadsman, mr. E. Tamas, is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep.

De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht

Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld op een bedrag van € 6.500,- en de terugbetalingsverplichting van de betrokkene aan de Staat vastgesteld op datzelfde bedrag.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het gerechtshof zal de beslissing bevestigen, met aanvulling van de gronden naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd door de verdediging. Het gerechtshof overweegt in dit kader het volgende.
Aanvulling
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in eerste aanleg gebaseerd op het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen uit het bouwen van dertien valse websites. Daarbij is uitgegaan van een vergoeding van € 500,- per website. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de betrokkene niet altijd € 500,- kreeg voor het bouwen van een website.
Het gerechtshof verwerpt dit verweer, op basis van de door de rechtbank in de beslissing aangehaalde verklaring van de betrokkene over zijn verdiensten ter zake van het bouwen van websites. Het gerechtshof stelt daarnaast vast dat de betrokkene inderdaad óók heeft verklaard dat hij wel eens niet betaald kreeg voor het bouwen van een website.
De betrokkene heeft daarbij echter niet aangegeven ter zake van welke specifieke klus (website) dat dan zo was. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat het ging om een website waarop het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene ziet.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging verder aangevoerd dat ook een schatting geen recht zou doen aan de werkelijke situatie, nu de betrokkene kosten heeft gemaakt met het bouwen van de websites.
Het gerechtshof verwerpt dit verweer eveneens, op de grond dat, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk is geworden dat de door de verdediging bedoelde kosten niet al waren verdisconteerd in de vergoeding van € 500,- per website, die de betrokkene heeft ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. F.E.J. Goffin en mr. R. Godthelp, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 23 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.