De moeder en vader zijn ouders van twee minderjarige kinderen die sinds 2018 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). Na beëindiging van het gezamenlijk gezag is de vader belast met het gezag over de kinderen. De kinderen waren uit huis geplaatst bij de moeder op grond van een machtiging die meerdere malen werd verlengd.
De GI verzocht verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot december 2024, maar de kinderrechter wees dit verzoek deels af, waardoor de kinderen weer bij de vader gingen wonen. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht het hof de machtiging alsnog te verlengen.
Het hof overwoog dat de vader inmiddels een stabiele en veilige opvoedsituatie biedt, zoals bevestigd door een video-observatie. De moeder stelde dat de kinderen onveilig waren bij de vader, maar dit werd niet onderbouwd door de stukken. De GI benadrukte het belang van een gelijkwaardige omgangsregeling en erkende dat de kinderen last hadden van de conflicten tussen ouders.
Het hof concludeerde dat de verlenging van de machtiging niet noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen en bekrachtigde de beschikking van de kinderrechter. De kinderen blijven daarom bij de vader wonen.