De moeder en vader zijn in 2012 gehuwd en gingen in september 2022 feitelijk uit elkaar. Zij hebben samen gezag over twee minderjarige kinderen. De rechtbank stelde in maart 2023 een voorlopige zorgregeling vast waarbij de kinderen onder begeleiding bij de vader verblijven op bepaalde dagen. Deze regeling werd in juli 2023 gewijzigd.
De moeder diende in maart 2023 een verzoek tot echtscheiding in, waarna de rechtbank in mei 2024 op verzoek van de vader bepaalde dat de moeder de voorlopige zorgregeling moet naleven onder dreiging van een dwangsom van €100 per keer, met een maximum van €5.000. De moeder ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de moeder de zorgregeling moet nakomen en deze niet eenzijdig mag stopzetten. De moeder gaf aan de regeling niet na te komen vanwege vermeende onveiligheid en beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader, die zij ontkent. Het lopende onderzoek en de rol van de raad voor de kinderbescherming horen volgens het hof thuis in de echtscheidingsprocedure.
Het hof acht de dwangsom noodzakelijk als financiële prikkel om naleving van de voorlopige zorgregeling te waarborgen en bekrachtigt daarom de beslissing van de rechtbank. De moeder heeft pas op de dag van de zitting een wijzigingsverzoek ingediend, dat in deze procedure niet aan de orde is.