In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en een nieuwe uitspraak gedaan. Verdachte werd vrijgesproken van de primair tenlastegelegde diefstal van een boot, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij de dader was. Wel werd hij veroordeeld voor subsidiaire opzetheling van de boot, omdat hij wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van verdachte, de staat van het contactslot en bedrading van de boot, en de gedragingen van verdachte tijdens het varen. Verdachte had verklaard dat hij geen sleutel had en de motor moest starten door draden tegen elkaar te houden. Ook gaf hij een onjuiste verklaring aan een vriend over het eigenaarschap van de boot, wat het hof als bewijs van wetenschap van heling beschouwde.
De strafoplegging bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Het hof hield rekening met de jonge leeftijd van verdachte, eerdere veroordelingen en zijn pogingen tot gedragsverbetering.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de schade een rechtstreeks gevolg was van de diefstal waarvan verdachte werd vrijgesproken. Het vonnis werd uitgesproken op 4 december 2024 door de meervoudige kamer van het hof te Leeuwarden.