Uitspraak
de vrouw,
de man,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
11 december 2023 heeft plaatsgevonden.
- het proces-verbaal van de op 11 december 2023 gehouden mondelinge behandeling na
2.De kern van de zaak
3.De feiten
Op 28 november 2005 hebben partijen een notariële samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Hierin is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“
GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING
“ De verschenen personen verklaarden: (…)
“ Partijen verklaren: (…)
(€ 1.400,00). De gebruiksvergoeding voor het woongedeelte dat door de vrouw wordt bewoond is vierhonderd euro (€ 400,00) per maand, welke bedrag de vrouw aan de man dient te betalen. Beide bedragen gaan door verrekening – hetgeen partijen hierbij overeenkomen – tot hun gemeenschappelijk verloop teniet waardoor de man aan de vrouw maandelijks een bedrag van éénduizend euro (€ 1.000,00) dient te betalen ter aflossing en de vrouw aan de man geen bedrag verschuldigd is. (…)
“ U heeft gedurende lange periode een affectieve relatie met elkaar gehad die een aantal jaren geleden is geëindigd.”
(4.7) Subsidiair baseert de vrouw haar recht om de woning te mogen bewonen op de overeenkomst. Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst tussen hen geldt.
4.De vorderingen
5.De motivering van de beslissing
Uit het uitblijven van voor de man kenbaar protest van de vrouw tegen de concept-overeenkomst en het vervolgens uitvoering geven aan de gemaakte afspraken (verbreking samenleving/gescheiden financiële huishouding/maandelijkse betalingen) mocht de man in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs afleiden dat een overeenkomst tot stand was gekomen, met de inhoud zoals de notaris in het concept had vastgelegd.
6.De beslissing
12 november 2024.