De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind heeft verlengd tot 20 juli 2025. De minderjarige verblijft sinds december 2022 bij pleegouders in Duitsland, familie van vaderszijde.
De moeder betwistte de noodzaak van de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, stellende dat de wettelijke gronden niet meer aanwezig zijn. Het hof oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en problematische communicatie tussen ouders.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt echter slechts verlengd tot 1 januari 2025, omdat de noodzaak voor verblijf buiten het ouderlijk huis niet langer aanwezig is. Het hof baseert dit op de verbeterde omgang tussen moeder en kind, de gebrekkige samenwerking tussen pleegouders en GI, en het ontbreken van zicht op de situatie bij de pleegouders.
Het hof wijst het verzoek van de moeder tot contra-expertise af, gezien de gedeeltelijke vernietiging van de machtiging uithuisplaatsing. Het besluit benadrukt het belang van begeleiding en ondersteuning van de moeder bij de terugplaatsing en het waarborgen van de belangen van de minderjarige.